Stapsgewijze handleiding voor het configureren van een bestandsserverfailover-cluster met twee knooppunten in Windows Server 2008

Bijgewerkt: april 2007

Van toepassing op: Windows Server 2008

Een failover-cluster is een reeks onafhankelijke computers die samenwerken om de beschikbaarheid van services en toepassingen te vergroten. De geclusterde servers (knooppunten) zijn met elkaar verbonden via fysieke snoeren en software. Als een van de clusterknooppunten faalt, wordt de service overgenomen door een ander knooppunt (dit proces wordt "failover" genoemd). Gebruikers worden hierdoor minimaal gestoord door service-onderbrekingen.

In deze handleiding worden de stappen beschreven voor het installeren en configureren van een bestandsserverfailover-cluster met twee knooppunten. Door de in deze handleiding besproken configuratie aan te brengen, raakt u beter vertrouwd met failover-clusters en met de interface van de module Failover-clusterbeheer in Windows Server® 2008 Enterprise of Windows Server® 2008 Datacenter.

noteNote
De functie voor failover-clusters is niet beschikbaar in Windows Web Server 2008 of Windows Server 2008 Standard.

De verbeteringen van failover-clusters (voorheen serverclusters) in Windows Server 2008 zijn gericht op het vereenvoudigen van de clusters, waardoor ze veiliger zijn, en het verhogen van clusterstabiliteit. Clusterinstallatie en -beheer zijn eenvoudiger. Beveiliging en netwerken in clusters zijn verbeterd, evenals de manier waarop een failover-cluster met opslag communiceert. Zie voor meer informatie over verbeteringen van failover-clusters http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=62368.

Overzicht voor een bestandsservercluster met twee knooppunten

Servers in een failover-cluster kunnen diverse rollen vervullen, bijvoorbeeld die van bestandsserver, afdrukserver, mailserver of databaseservercluster, en kunnen een hoge beschikbaarheid bieden voor verschillende andere services en toepassingen. In deze handleiding wordt beschreven hoe u een bestandsservercluster met twee knooppunten configureert.

Een failover-cluster bevat meestal een opslageenheid die fysiek verbonden is met alle servers in het cluster. Een opslagvolume kan echter door slechts één server tegelijk worden benaderd. In het volgende diagram ziet u een failover-cluster met twee knooppunten dat verbonden is met een opslageenheid.

Failovercluster met twee knooppunten, verbonden met opslag

Het is niet de bedoeling dat opslagvolumes of Logical Unit Numbers (LUN's) die toegankelijk zijn voor de knooppunten in een cluster, toegankelijk worden gemaakt voor andere servers, bijvoorbeeld servers in een ander cluster. Dit wordt in het volgende diagram geïllustreerd.

Failoverclusters zonder overlap van LUN's

Om te garanderen dat de beschikbaarheid van servers maximaal is, is het belangrijk dat u zorgvuldig met de servers omgaat. Beheer de fysieke omgeving van de servers met zorg, test softwarewijzigingen alvorens ze volledig te implementeren en houd de software-updates en configuratiewijzigingen voor alle geclusterde servers nauwkeurig bij.

In het volgende scenario wordt beschreven hoe u een bestandsserverfailover-cluster kunt configureren. De gedeelde bestanden bevinden zich in de clusteropslag en elk van de geclusterde servers kan dienstdoen als bestandsserver.

Gedeelde mappen in een failover-cluster

De interfaces voor het weergeven en configureren van gedeelde mappen in een failover-cluster, zijn in Windows Server 2008 uitgebreider en gestroomlijnder. Het configuratieproces is eenvoudiger en doorzichtiger waardoor de kans op configuratiefouten kleiner is. Hieronder vindt u een overzicht van de functies die zijn ondergebracht in Failover Clustering:

  • Er worden uitsluitend gedeelde mappen weergegeven die geclusterd zijn (niet-geclusterde gedeelde mappen worden niet weergegeven): Als u of een andere gebruiker gedeelde mappen wenst weer te geven en het pad opgeeft naar een geclusterde bestandsserver, worden uitsluitend de gedeelde mappen weergegeven die onderdeel zijn van het cluster. Niet-geclusterde gedeelde mappen die toevallig ook onder een knooppunt van het cluster vallen, worden niet weergegeven.

  • Op toegangsrechten gebaseerde inventarisatie: Met behulp van op toegangsrechten gebaseerde inventarisatie kunt u een opgegeven map voor gebruikers verborgen houden. In plaats van gebruikers toestemming te geven de map weer te geven maar hun de toegang tot de inhoud van de map te ontzeggen, kunt u instellen dat ze de map zelfs niet kunnen zien. Als u een op toegangsrechten gebaseerde inventarisatie wilt configureren voor een geclusterde gedeelde map, gaat u op dezelfde manier te werk als voor een niet-geclusterde gedeelde map.

  • Offlinetoegang: als u offlinetoegang ("caching") wilt configureren voor een geclusterde gedeelde map, gaat u op dezelfde manier te werk als voor een niet-geclusterde gedeelde map.

  • Geclusterde schijven worden altijd beschouwd als deel van het cluster: Windows Server 2008 weet altijd of een schijf is bestemd als clusteropslag, of u nu de failover-clusterinterface gebruikt, Windows Verkenner of de module Share- en opslagbeheer. Als in Failover-clusterbeheer al een clusteropslagschijf is geconfigureerd als onderdeel van een geclusterde bestandsserver, kunt u een van de eerder vermelde interfaces gebruiken om een share te maken op de schijf. Als een clusteropslagschijf nog niet is geconfigureerd als onderdeel van een geclusterde bestandsserver, kunt u er niet bij vergissing een share op maken. Er verschijnt een foutbericht met de mededeling dat de schijf moet worden geconfigureerd als onderdeel van een geclusterde bestandsserver voordat deze kan worden gedeeld.

  • Integratie van Services voor NFS: De rol Bestandsserver in Windows Server 2008 omvat de optionele rol Services voor Network File System (NFS). Door de rolservice te installeren en met Services voor NFS gedeelde mappen te configureren, kunt u een geclusterde bestandsserver maken die UNIX-clients ondersteunt.

Vereisten voor een failover-cluster met twee knooppunten

Als u een failover-cluster met twee knooppunten wilt maken (ongeacht de service of toepassing die de knooppunten bieden), hebt u de in de volgende twee secties beschreven hardware, software, accounts en netwerkinfrastructuur nodig.

Het is aan te raden de in deze handleiding geboden informatie eerst in een testomgeving toe te passen. Deze stapsgewijze handleiding is niet bij uitstek geschikt voor het in gebruik nemen van Windows Server-functies, en dient niet als vervanging van de documentatie bij deze functies (waarvan u een lijst vindt in de sectie Aanvullende naslaginformatie). U moet de handleiding met beleid en als een zelfstandig document gebruiken.

Hardwarevereisten voor een failover-cluster met twee knooppunten

Voor een failover-cluster met twee knooppunten hebt u de volgende hardware nodig:

  • Servers: het is raadzaam een reeks bij elkaar passende computers te gebruiken met dezelfde of gelijksoortige onderdelen.

    ImportantImportant
    Gebruik alleen hardwareonderdelen die compatibel zijn met Windows Server 2008.

  • Netwerkadapters en -kabel (voor netwerkcommunicatie): Net als andere onderdelen in de failover-clusteroplossing moet de netwerkhardware compatibel zijn met Windows Server 2008. Als u iSCSI gebruikt, moeten uw netwerkadapters zijn toegewezen aan netwerkcommunicatie of iSCSI, maar niet aan beide.

    Vermijd afzonderlijke foutpunten in de netwerkinfrastructuur die uw clusterknooppunten met elkaar verbindt. U kunt dit op meerdere manieren bereiken. U kunt uw clusterknooppunten met elkaar verbinden via meerdere, afzonderlijke netwerken. U kunt uw clusterknooppunten ook met één netwerk verbinden dat is opgebouwd uit "teamed" netwerkadapters, redundante schakelaars, redundante routers of gelijksoortige hardware die afzonderlijke foutpunten verwijdert.

    noteNote
    Als u clusterknooppunten met één netwerk verbindt, voldoet het netwerk aan de redundantievereiste in de wizard Een configuratie valideren. Het rapport van de wizard zal echter een waarschuwing bevatten met de melding dat het netwerk geen afzonderlijke foutpunten mag bevatten.

    Zie Netwerkinfrastructuur- en domeinaccountvereisten voor een failover-cluster met twee knooppunten verderop in dit onderwerp voor meer informatie over de vereiste netwerkconfiguratie voor een failover-cluster.

    Apparaatcontrollers of toepasselijke adapters voor de opslag:

    • Voor Serial Attached SCSI of Fibre Channel: Als u Serial Attached SCSI of Fibre Channel gebruikt, moeten de apparaatcontrollers voor massaopslag die aan de clusteropslag zijn toegewezen, in alle geclusterde servers identiek zijn. Bovendien moeten ze dezelfde firmwareversie gebruiken.

      noteNote
      Met Windows Server 2008 kunt u geen parallelle SCSI gebruiken om de opslag met de geclusterde servers te verbinden.

    • Voor iSCSI: Als u iSCSI gebruikt, moet elke geclusterde server een of meer netwerkadapters of hostbusadapters hebben die zijn toegewezen aan de clusteropslag. Het netwerk dat u voor een iSCSI gebruikt, kan niet voor netwerkcommunicatie worden gebruikt. In alle geclusterde servers moeten de netwerkadapters die u voor verbinding met het iSCSI-opslagdoel gebruikt, identiek zijn. Het is raadzaam Gigabit Ethernet of hoger te gebruiken.

      Voor iSCSI kunt u geen "teamed" netwerkadapters gebruiken, omdat ze met iSCSI niet worden ondersteund.

      Zie voor meer informatie over iSCSI de veelgestelde vragen over iSCSI op de website van Microsoft (http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=61375).

  • Opslag: u moet gedeelde opslag gebruiken die compatibel is met Windows Server 2008.

    Bij een failover-cluster met twee knooppunten moet de opslag minimaal twee aparte volumes (LUN's) bevatten die zijn geconfigureerd op hardwareniveau. Eén volume fungeert als witness-schijf (zie volgende alinea). Het andere bevat de bestanden die worden gedeeld met gebruikers. Hieronder volgen enkele opslagvereisten:

    • Gebruik basisschijven, geen dynamische schijven, om de ingebouwde schijfondersteuning van Failover Clustering te kunnen gebruiken.

    • Het is raadzaam de partities te formatteren met NTFS (voor de witness-schijf moet de partitie NTFS zijn).

    • Voor de partitiestijl van de schijf moet u Master Boot Record (MBR) of GUID Partition Table (GPT) gebruiken.

    Een witness-schijf is een schijf in de clusteropslag die is aangewezen als locatie voor de opslag van een kopie van de clusterconfiguratiedatabase. (Een witness-schijf is onderdeel van bepaalde (niet alle) quorumconfiguraties.) Voor dit cluster met twee knooppunten is de quorumconfiguratie Knooppunt- en schijfmeerderheid, de standaardconfiguratie voor een cluster met een even aantal knooppunten. Met knooppunt- en schijfmeerderheid wordt bedoeld dat de knooppunten en de witness-schijf elk kopieën bevatten van de clusterconfiguratie; de clusterconfiguratie heeft quorum zolang de meerderheid (twee van drie) van deze kopieën beschikbaar is.

Storage Area Networks (SAN's) implementeren met failover-clusters

Wanneer u een Storage Area Network (SAN) met een failover-cluster implementeert, volgt u de onderstaande richtlijnen:

  • Bevestig compatibiliteit van de opslag: controleer bij de fabrikant en leverancier of de opslag, inclusief gebruikte stuurprogramma's, firmware en software voor de opslag, compatibel is met failover-clusters in Windows Server 2008.

    ImportantImportant
    Opslag die compatibel was met serverclusters in Windows Server 2003, is misschien niet compatibel met failover-clusters in Windows Server 2008. Neem contact op met uw leverancier om te verifiëren dat uw opslag compatibel is met failover-clusters in Windows Server 2008.

    Failover-clusters hebben de volgende nieuwe vereisten voor opslag:

    • Voor de verbeteringen in failover-clusters is het vereist dat de opslag juist reageert op specifieke SCSI-opdrachten. Daarom moet de opslag voldoen aan de standaard met de naam SCSI Primary Commands-3 (SPC-3). De opslag moet Persistent Reservations ondersteunen zoals aangegeven in de SPC-3-standaard.

    • Het stuurprogramma van de minipoort dat voor de opslag wordt gebruikt, moet functioneren met het Microsoft Storport-opslagstuurprogramma.

  • Isoleer opslagapparaten, één cluster per apparaat: Servers van verschillende clusters mogen geen toegang tot dezelfde opslagapparaten hebben. In de meeste gevallen moet een LUN die voor één set clusterservers wordt gebruikt, door middel van LUN-maskering of -zoning van alle andere servers worden geïsoleerd.

  • Overweeg het gebruik van software met meerdere I/O-paden: In een opslagstructuur met maximale beschikbaarheid kunt u failover-clusters met meerdere hostbusadapters implementeren via software met I/O-paden. Dit biedt het hoogste niveau van redundantie en beschikbaarheid. Voor Windows Server 2008 moet uw oplossing met meerdere paden gebaseerd zijn op Microsoft Multipath (MPIO). Uw hardwareleverancier levert meestal een MPIO DSM (Device Specific Module) voor uw hardware, hoewel Windows Server 2008 een of meer DSM's als onderdeel van het besturingssysteem bevat.

    ImportantImportant
    Hostbusadapters en software voor meerdere I/O-paden kunnen bijzonder versiegevoelig zijn. Als u een oplossing met meerdere paden voor uw cluster implementeert, moet u nauw samenwerken met uw hardwareleverancier om de juiste adapters, firmware en software voor Windows Server 2008 te kiezen.

Softwarevereisten voor een failover-cluster met twee knooppunten

Alle servers in een failover-cluster moeten dezelfde versie van Windows Server 2008 uitvoeren. Ook de hardwareversie moet hetzelfde zijn (32-bits, op x64 gebaseerd of op Itanium gebaseerd). Bovendien moeten alle servers dezelfde software-updates (patches) en service packs gebruiken.

Netwerkinfrastructuur- en domeinaccountvereisten voor een failover-cluster met twee knooppunten

U hebt de volgende netwerkinfrastructuur voor een failover-cluster met twee knooppunten nodig, evenals een beheerdersaccount met de volgende domeinmachtigingen:

  • Netwerkinstellingen en IP-adressen: Als u identieke netwerkadapters voor een netwerk gebruikt, moet u ook identieke communicatie-instellingen op deze adapters gebruiken (bijvoorbeeld Snelheid, Duplexmodus, Datatransport-besturing en Mediumtype). Vergelijk ook de instellingen tussen de netwerkadapter en de schakelaar waarmee de adapter verbinding maakt, en zorg ervoor dat er geen conflict tussen de instellingen bestaat.

    Als u particuliere netwerken hebt die niet naar de rest van uw netwerkinfrastructuur worden gerouteerd, zorgt u ervoor dat elk particulier netwerk een uniek subnet gebruikt. Dit is zelfs vereist wanneer u elke netwerkadapter een uniek IP-adres geeft. Als u bijvoorbeeld een clusterknooppunt in een centraal kantoor hebt dat één fysiek netwerk gebruikt, en een ander knooppunt in een filiaal dat een apart fysiek netwerk gebruikt, geeft u niet 10.0.0.0/24 voor beide netwerken op, zelfs niet als u elke adapter een uniek IP-adres geeft.

    Zie Hardwarevereisten voor een failover-cluster met twee knooppunten eerder in deze handleiding voor meer informatie over de netwerkadapters.

  • DNS: De servers in het cluster moeten Domain Name System (DNS) gebruiken voor naamomzetting. Het dynamische updateprotocol DNS kan worden gebruikt.

  • Domeinrol: Alle servers in het cluster moeten zich in hetzelfde Active Directory-domein bevinden. Geclusterde servers kunnen het best allemaal dezelfde domeinrol hebben (lidserver of domeincontroller). De aanbevolen rol is lidserver.

  • Domeincontroller: Geclusterde servers kunnen het best lidservers zijn. Als het inderdaad lidservers zijn, hebt u een extra server nodig die als domeincontroller fungeert in het domein met het failover-cluster.

  • Clients: u kunt een of meer netwerkclients aansluiten op het failover-cluster dat u maakt, en kijken wat het effect is op een client als u de geclusterde bestandsserver naar een ander clusterknooppunt verplaatst of erdoor laat overnemen.

  • Account voor beheer van het cluster: Wanneer u de eerste keer een cluster maakt of er servers aan toevoegt, moet u zijn aangemeld bij het domein met een account dat beheerdersrechten en -machtigingen voor alle servers in dat cluster heeft. De account hoeft niet tot de groep Domeinadministrators te behoren, maar kan ook een domeingebruikersaccount zijn die zich in de Administrators-groep op elke geclusterde server bevindt. Bovendien moet de account (of de groep waar de account lid van is), als deze geen domeinadministratorsaccount is, de machtiging Computerobjecten maken in het domein zijn verleend.

    noteNote
    De manier waarop de clusterservice wordt uitgevoerd, is in Windows Server 2008 anders dan in Windows Server 2003. In Windows Server 2008 is er geen clusterserviceaccount. In plaats daarvan wordt de clusterservice automatisch uitgevoerd in een speciale context die de specifieke machtigingen en bevoegdheden biedt die voor de service nodig zijn (zoals de context van een lokaal systeem maar dan met minder bevoegdheden).

Stappen voor het installeren van een bestandsservercluster met twee knooppunten

Als u een bestandsserverfailover-cluster met twee knooppunten wilt installeren, gaat u als volgt te werk.

Stap 1: de clusterservers verbinden met de netwerken en de opslag

Stap 2: de failover-clusterfunctie installeren

Stap 3: de clusterconfiguratie valideren

Stap 4: het cluster maken

Als u de clusterknooppunten al hebt geïnstalleerd en een bestandsserverfailover-cluster wilt configureren, kunt u het onderwerp Stappen voor de configuratie van een bestandsservercluster met twee knooppunten raadplegen, verderop in deze handleiding.

Stap 1: de clusterservers verbinden met de netwerken en de opslag

Om de door u geselecteerde clusterservers te verbinden met netwerken en opslag, voert u de volgende instructies uit.

noteNote
Lees het onderwerp Hardwarevereisten voor een failover-cluster met twee knooppunten eerder in deze handleiding voor details over de soorten netwerkadapters en apparaatstuurprogramma's die u kunt gebruiken met Windows Server 2008.

Het is belangrijk dat er in een failover-clusternetwerk geen afzonderlijke foutpunten aanwezig zijn. U kunt dit op meerdere manieren bereiken. U kunt uw clusterknooppunten met elkaar verbinden via meerdere, afzonderlijke netwerken. U kunt uw clusterknooppunten ook met één netwerk verbinden dat is opgebouwd uit "teamed" netwerkadapters, redundante schakelaars, redundante routers of gelijksoortige hardware die afzonderlijke foutpunten verwijdert. (Als u een netwerk gebruikt voor iSCSI, moet u dit netwerk naast de andere netwerken maken.)

Als u voor een bestandsservercluster met twee knooppunten de servers verbindt met de clusteropslag, moet u minimaal twee volumes (LUN's) ter beschikking stellen. Als u de configuratie grondig wilt testen, kunt u naar wens extra volumes toevoegen. Stel geen geclusterde volumes ter beschikking aan servers buiten het cluster.

De clusterservers verbinden met de netwerken en de opslag
  1. Neem de informatie door bij Hardwarevereisten voor een failover-cluster met twee knooppunten en Netwerkinfrastructuur- en domeinaccountvereisten voor een failover-cluster met twee knooppunten, eerder in deze handleiding.

  2. Verbind en configureer de netwerken die de servers in het cluster zullen gebruiken.

  3. Als uw testconfiguratie clients bevat of een niet-geclusterde domeincontroller moet u ervoor zorgen dat deze computers verbinding kunnen maken met de geclusterde servers in ten minste één netwerk.

  4. Volg de instructies van de fabrikant op om de servers fysiek op de opslag aan te sluiten.

  5. Zorg ervoor dat de schijven (LUN's) die u in het cluster wilt gebruiken, beschikbaar zijn gemaakt voor (uitsluitend) de servers die u gaat clusteren. U kunt de volgende interfaces gebruiken om schijven of LUN's beschikbaar te stellen:

    • De interface die door de fabrikant van de opslag is geleverd

    • Als u iSCSI gebruikt: een toepasselijke iSCSI-interface

    • Microsoft Opslagbeheer voor SAN's (onderdeel van het besturingssysteem in Windows Server 2008). Als u deze interface wilt gebruiken, moet u contact opnemen met de fabrikant van uw opslag voor een VDS-providerpakket (Virtual Disk Service) dat voor uw opslag is ontworpen.

  6. Als u software hebt aangeschaft die de indeling of functie van de schijf bepaalt, volgt u de instructies van de leverancier op over het gebruik van deze software met Windows Server 2008.

  7. Op een van de servers die u wilt clusteren, klikt u op Start, Systeembeheer, Computerbeheer en vervolgens op Schijfbeheer. (If the User Account Control dialog box appears, confirm that the action it displays is what you want, and then click Continue.) In Schijfbeheer bevestigt u dat de clusterschijven zichtbaar zijn.

  8. Als u een opslagvolume met meer dan 2 terabytes wilt gebruiken, en u gebruikt de Windows-interface om de indeling van de schijf te bepalen, converteert u die schijf naar de partitiestijl GUID Partition Table (GPT). Hiervoor maakt u een back-up van gegevens op de schijf, verwijdert u alle volumes op de schijf en klikt u in Schijfbeheer met de rechtermuisknop op de schijf (niet op een partitie). Vervolgens klikt u op Converteren naar GPT-schijf.

    Voor volumes met minder dan 2 terabytes gebruikt u niet de partitiestijl GPT maar Master Boot Record (MBR).

    ImportantImportant
    U kunt MBR of GPT gebruiken voor een schijf die door een failover-cluster wordt gebruikt, maar u kunt geen schijf gebruiken die u via Schijfbeheer naar dynamisch hebt geconverteerd.

    Als u software hebt aangeschaft die de indeling of functie van de schijf bepaalt, neemt u contact op met de leverancier voor meer informatie over de wijze waarop u deze software gebruikt met Windows Server 2008.

  9. Controleer de indeling van ter beschikking gestelde volumes of LUN's. Het is raadzaam NTFS voor de indeling te gebruiken (voor de witness-schijf moet u NTFS gebruiken).

Stap 2: de failover-clusterfunctie installeren

In deze stap installeert u de failover-clusterfunctie. Op de servers moet Windows Server 2008 worden uitgevoerd.

De failover-clusterfunctie installeren op de servers
  1. Als u onlangs Windows Server 2008 hebt geïnstalleerd, wordt de interface Eerste configuratietaken weergegeven, zoals hieronder wordt geïllustreerd.

    Interface Initiële configuratietaken

    Als deze interface wordt weergegeven, klikt u onder Deze server aanpassen op Onderdelen toevoegen. Ga vervolgens door naar stap 3.

  2. Als de interface Eerste configuratietaken niet verschijnt en Serverbeheer is niet actief, klikt u achtereenvolgens op Start, Systeembeheer en Serverbeheer. (If the User Account Control dialog box appears, confirm that the action it displays is what you want, and then click Continue.)

    Serverbeheer-interface

    Klik in Serverbeheer onder Onderdelenoverzicht op Onderdelen toevoegen.

  3. In de wizard Onderdelen toevoegen klikt u op Failover Clustering. Klik vervolgens op Installeren.

  4. Volg de instructies in de wizard op om de installatie van het onderdeel te voltooien. Sluit de wizard af wanneer de installatie is voltooid.

  5. Herhaal het proces voor elke server die u in het cluster wilt opnemen.

Stap 3: de clusterconfiguratie valideren

Het wordt met klem aangeraden dat u de configuratie valideert voordat u een cluster maakt. Op deze manier weet u zeker dat de configuratie van de servers, het netwerk en de opslag voldoet aan een aantal specifieke vereisten voor failover-clusters.

De configuratie van het failover-cluster valideren
  1. To open the failover cluster snap-in, click Start, click Administrative Tools, and then click Failover Cluster Management. (If the User Account Control dialog box appears, confirm that the action it displays is what you want, and then click Continue.)

    Invoegtoepassing Failover Clusters
  2. Controleer of Failover-clusterbeheer geselecteerd is en klik vervolgens in het middenvenster onder Beheer op Een configuratie valideren .

    Wizard Een configuratie valideren
  3. Volg de instructies in de wizard op om de twee servers en de tests op te geven en voer vervolgens de tests uit. Om de configuratie volledig te valideren, moet u alle tests uitvoeren voordat u een cluster maakt.

  4. Nadat de tests zijn uitgevoerd, verschijnt de pagina Overzicht. Als u de Help-onderwerpen wilt weergeven aan de hand waarvan u de resultaten kunt interpreteren, klikt u op Meer informatie over clustervalidatietests.

  5. Terwijl u nog op de pagina Overzicht bent, klikt u op Rapport weergeven en leest u de testresultaten.

    Als u de testresultaten wilt weergeven nadat de wizard is afgesloten, opent u het bestand

    SystemRoot\Cluster\Reports\Validation Report date and time.html

    waarbij SystemRoot de map is waarin het besturingssysteem is geïnstalleerd (bijvoorbeeld C:\Windows).

  6. Breng waar nodig wijzigingen aan in de configuratie en voer de tests opnieuw uit.

  7. Als u Help-onderwerpen over clustervalidatie wilt weergeven nadat de wizard is afgesloten, klikt u in Failover-clusterbeheer achtereenvolgens op Help en Help-onderwerpen, klik op het tabblad Inhoud, vouw de inhoud van de Help bij failover-clusters uit en klik op Configuratie van een failover-cluster valideren.

Stap 4: het cluster maken

Als u een cluster wilt maken, voert u de wizard Een cluster maken uit.

De wizard Een cluster maken uitvoeren
  1. To open the failover cluster snap-in, click Start, click Administrative Tools, and then click Failover Cluster Management. (If the User Account Control dialog box appears, confirm that the action it displays is what you want, and then click Continue.)

  2. Controleer of Failover-clusterbeheer geselecteerd is en klik vervolgens in het middenvenster onder Beheer op Een cluster maken.

    Wizard Cluster maken

    Volg de instructies in de wizard op om het volgende op te geven:

    • De servers die in het cluster moeten worden opgenomen.

    • De naam van het cluster.

    • Alle IP-adresgegevens die niet automatisch door uw DHCP-instellingen worden verstrekt.

  3. Nadat de wizard is uitgevoerd en de pagina Overzicht wordt weergegeven, klikt u op Rapport weergeven als u een rapport wilt weergeven van de taken die de wizard heeft uitgevoerd.

Stappen voor het configureren van een bestandsservercluster met twee knooppunten

Voor het configureren van een bestandsserverfailover-cluster met twee knooppunten, voert u de volgende stappen uit:

Een bestandsserverfailover-cluster met twee knooppunten configureren
  1. To open the failover cluster snap-in, click Start, click Administrative Tools, and then click Failover Cluster Management. (If the User Account Control dialog box appears, confirm that the action it displays is what you want, and then click Continue.)

  2. Als het door u gemaakte cluster niet in de consolestructuur wordt weergegeven, klikt u met de rechtermuisknop op Failover-clusterbeheer, klik op Een cluster beheren en selecteer het cluster dat u wilt configureren.

  3. Klik in de consolestructuur op het plusteken naast het cluster dat u hebt gemaakt om de items eronder uit te vouwen.

  4. Als de geclusterde servers zijn verbonden met een netwerk dat niet moet worden gebruikt voor netwerkcommunicatie in het cluster (bijvoorbeeld een netwerk dat alleen voor iSCSI is bedoeld), klikt u onder Netwerken met de rechtermuisknop op dat netwerk, klikt u op Eigenschappen en klikt u vervolgens op Het cluster niet toestaan dit netwerk te gebruiken. Klik op OK.

  5. Klik op Services en toepassingen. Onder Acties (aan de rechterkant) klikt u op Een service of toepassing configureren.

    Wizard Maximale beschikbaarheid
  6. Lees de informatie op de eerste pagina van de wizard en klik op Volgende.

    Wizard Maximale beschikbaarheid, pagina 2
  7. Klik achtereenvolgens op Bestandsserver en Volgende.

  8. Volg de instructies in de wizard op om het volgende op te geven:

    • Een naam voor de geclusterde bestandsserver

    • Willekeurige IP-adresgegevens die niet automatisch door uw DHCP-instellingen worden verstrekt, bijvoorbeeld een statisch IPv4-adres voor deze geclusterde bestandsserver

    • Een of meer opslagvolumes die de geclusterde bestandsserver moet gebruiken

  9. Nadat de wizard is uitgevoerd en de pagina Overzicht wordt weergegeven, klikt u op Rapport weergeven als u een rapport wilt weergeven van de taken die de wizard heeft uitgevoerd.

  10. Klik op Voltooien om de wizard af te sluiten.

  11. Controleer of Services en toepassingen is uitgevouwen in de consolestructuur en selecteer vervolgens de zojuist door u gemaakte geclusterde bestandsserver.

  12. Klik onder Acties op Gedeelde map toevoegen.

    De wizard Gedeelde map creëren wordt nu weergegeven. Deze wizard zou u ook gebruiken om een share in te stellen op een niet-geclusterde bestandsserver.

  13. Volg de instructies in de wizard op om de volgende instellingen op te geven voor de gedeelde map:

    • Pad en naam

    • NTFS-bevoegdheden (optioneel)

    • Geavanceerde instellingen voor het SMB-protocol (optioneel) SMB wordt gebruikt door Windows-clients. De instellingen betreffen:

      Maximum aantal gebruikers.

      Offline-instellingen (cache).

      Op toegangsrechten gebaseerde inventarisatie, zoals beschreven in Gedeelde mappen in een failover-cluster, eerder in deze handleiding.

    • Of het NFS-protocol wordt gebruikt ter ondersteuning van UNIX-clients (optioneel).

  14. Nadat de wizard is voltooid bevestigt u dat de geclusterde bestandsserver online komt. Als dit niet gebeurt, controleer dan de status van de netwerken en de opslag en verhelp eventuele problemen. Klik vervolgens met de rechtermuisknop op de nieuwe geclusterde bestandsserver en klik op Deze service of toepassing online brengen.

  15. Als u een basisfailover-test wilt uitvoeren, klikt u met de rechtermuisknop op de geclusterde bestandsserver. Klik vervolgens op Deze service of toepassing naar een ander knooppunt verplaatsen en klik op een beschikbaar knooppunt. Bevestig uw keuze zodra u hierom wordt gevraagd.

    U kunt de statuswijzigingen in het middenvenster van de module zien als het item van de geclusterde bestandsserver wordt verplaatst.

Aanvullende naslaginformatie

De volgende bronnen bevatten aanvullende informatie over failover-clusters:

Codes :


Page view tracker