Veelgestelde vragen over Windows Deployment Services
Van toepassing op: Windows Server 2008, Windows Server 2008 R2
In dit onderwerp:
-
Wat is er gebeurd met RIS?
-
Wat is er gebeurd met de Single Instance Store?
-
Kan ik Windows Deployment Services (in het bijzonder multicasting) gebruiken met virtuele computers?
Opstart- en installatiekopieën
-
Wat is het verschil tussen een opstartkopie en een installatiekopie?
-
Wat houdt het knooppunt Oude installatiekopieën in de MMC-module in?
-
Hoe onderhoud ik mijn opstart- en installatiekopieën?
-
Kan ik meerdere Windows Deployment Services-servers op het netwerk gebruiken?
-
Over welke bevoegdheden moet ik beschikken om te kunnen configureren?
-
Waarom heb ik twee bestanden voor installatie zonder toezicht nodig?
-
Kan ik mijn gebruikers beschermen door van hen te verlangen dat zij zich aanmelden voordat ze in staat zijn hun vaste schijven opnieuw te formatteren?
-
Van welke logboeken moet ik gebruikmaken om problemen op te lossen?
-
Hoe schakel ik logboeken in?
-
Hoe repliceer ik installatiekopieën?
-
Hoe voeg ik een computer aan een domein toe?
-
Hoe stel ik namen van computers in?
-
Hoe gebruik ik WDSMCast om andere typen bestanden te verzenden?
Algemeen
Wat is er gebeurd met RIS?
Het onderdeel Windows Deployment Services is de bijgewerkte en herziene versie van RIS (Remote Installation Services). De RIS-onderdelen zijn in Windows Deployment Services op diverse punten gewijzigd. Er zijn ook wijzigingen in Windows Server 2008 aangebracht door de Windows Deployment Services-update die u kunt installeren op computers waarop Windows Server 2003 wordt uitgevoerd. Deze wijzigingen worden in de volgende tabel beschreven.
| Wijzigingen ten opzichte van RIS | Wijzigingen ten opzichte van Windows Deployment Services op Windows Server 2003 |
|---|---|
|
|
Wat is er gebeurd met de Single Instance Store?
Windows Deployment Services maakt geen gebruik van de Single Instance Store-functionaliteit die in RIS werd gebruikt. In plaats daarvan gebruikt Windows Deployment Services een methode waarbij bestandsbronnen worden gedeeld tussen installatiekopiegroepen (zodat er sprake is van single instance) en de metagegevens van elke installatiekopie zich in een afzonderlijk WIM-bestand bevinden. Het principe van gesplitste WIN-installatiekopieën gaat in de installatiekopieopslag nog een stapje verder doordat er een gesplitste mediaset wordt gemaakt die uit twee bestanden bestaat:
-
Een "leeg" WIM-bestand dat alleen de definitie van de installatiekopie bevat
-
Het bestand Res.rwm dat alle bestandsbronnen bevat voor alle installatiekopieën in de installatiekopiegroep. De gegevens in Res.rwm hebben de indeling single-instance en zijn gecomprimeerd. Daarom is de Single Instance Store-service niet langer nodig. Met Windows Deployment Services is er minder opslagruimte op schijf nodig voor installatiekopieën binnen een installatiekopiegroep en het is efficiënter dan het opslagmechanisme dat in RIS werd gebruikt.
Kan ik Windows Deployment Services (in het bijzonder multicasting) gebruiken met virtuele computers?
Windows Deployment Services behoort te werken op virtuele computers. De prestaties kunnen echter minder goed zijn, vooral tijdens de fase van het downloaden van het TFTP (Trivial File Transfer Protocol). Deze fase doet een grote aanspraak op beschikbare bronnen en kan mogelijk mislukken als er onvoldoende bronnen beschikbaar zijn op de hostcomputer.
Opstart- en installatiekopieën
Wat is het verschil tussen een opstartkopie en een installatiekopie?
Installatiekopieën zijn kopieën van het besturingssysteem die u op de clientcomputer kunt installeren. Met een opstartkopie kunt u een clientcomputer opstarten voordat u het besturingssysteem installeert. Opstartkopieën bevatten Windows PE en de Windows Deployment Services-client (de client is hoofdzakelijk Windows Vista Setup.exe en de ondersteunende bestanden daarvan voor Windows Deployment Services). U kunt de standaardopstartkopieën gebruiken die zich bevinden op de media van Windows Vista of Windows Server 2008 (te vinden in \Sources\boot.wim) zonder dat u deze hoeft te wijzigen. De Boot.wim die u moet gebruiken, moet echter overeenkomen met (of nieuwer zijn dan) het besturingssysteem van de installatiekopie. Als u bijvoorbeeld bezig bent met de installatie van Windows Vista, moet u de opstartkopie op de media van Windows Server 2008 gebruiken. U kunt niet de Boot.wim gebruiken op de media van Windows Vista. U kunt ook aangepaste opstartkopieën maken. Zie Creating Images voor meer informatie.
Wat houdt het knooppunt Oude installatiekopieën in de MMC-module in?
Het knooppunt Oude installatiekopieën in de MMC-module Windows Deployment Services bevat eventuele RIS-installatiekopieën die zijn achtergebleven na een upgrade van een computer waarop Windows Server 2003 werd uitgevoerd. Als u geen upgrade voor uw computer hebt uitgevoerd, is dit knooppunt leeg en niet van nut voor u.
Hoe onderhoud ik mijn opstart- en installatiekopieën?
De volgende procedures hebben betrekking op enkele vaakvoorkomende taken die u wellicht wilt uitvoeren voor uw installatiekopieën. Zie Installatiekopieën beheren voor meer procedures.
Een installatiekopie wijzigen en opnieuw importeren
-
Open de MMC-module Windows Deployment Services, klik met de rechtermuisknop op de installatiekopie en selecteer Uitschakelen. Hierdoor kunnen bestaande installaties worden voortgezet, maar kunnen nieuwe clients de installatiekopie niet installeren.
-
Klik met de rechtermuisknop op de installatiekopie en klik vervolgens op Installatiekopie exporteren.
-
Wijzig de systeemkopie met de hulpprogramma's in de Windows AIK.
-
Als alle installaties die er gebruik van maken, zijn voltooid, klikt u met de rechtermuisknop op de installatiekopie en klikt u vervolgens op Installatiekopie vervangen. Vervolgens bladert u naar de bijgewerkte versie en doorloopt u de rest van de wizard.
Een directe conversie van een RIPREP-installatiekopie afdwingen
Wanneer u offline een RIPREP-installatiekopie converteert, is het mogelijk om een directe conversie van een RIPREP-installatiekopie af te dwingen, waardoor u tijd en schijfruimte bespaart tijdens het conversieproces. Dit kunt u doen door de optie /InPlace te gebruiken bij de opdracht WDSUTIL /Convert-RiprepImage. Meestal bestaan er variaties van één enkele RIPREP-installatiekopie (met alleen het HAL-type als verschil) op dezelfde server. U kunt tijd besparen tijdens het conversieproces door de optie /Overwrite:Append te gebruiken bij de opdracht WDSUTIL /Convert-RiprepImage waarmee u profiteert van de single-instancing-technologie bij de WIM-indeling. Door de optie Append gaat het vastleggen veel sneller dan normaal omdat bestanden die al voorkomen in de WIM niet worden gecomprimeerd en ingevoegd. Bij bestanden die in beide installatiekopieën voorkomen en zich al in het WIM-bestand bevinden, wordt alleen de teller ter referentie verhoogd om aan te geven dat het afzonderlijke bestand bij meerdere installatiekopieën in het WIM-bestand behoort. Het conversieproces gaat samengevat als volgt. Eerst wordt de eerste RIPREP-installatiekopie van de set geconverteerd door het maken van een nieuw WIM-bestand. Vervolgens worden de resterende RIPREP-installatiekopieën van de set geconverteerd (voor de andere HAL-typen) door ze achteraan toe te voegen in het eerder gemaakte WIM-bestand. Zie Creating Images voor meer informatie.
Een installatiekopie in de opslag converteren naar een losstaand WIM-bestand
| De MMC-console gebruiken | WDSUTIL gebruiken |
|---|---|
|
|
Configuratie
Kan ik meerdere Windows Deployment Services-servers op het netwerk gebruiken?
Ja. Zie Een ingewikkelde omgeving beheren [role only] voor meer informatie.
Over welke bevoegdheden moet ik beschikken om te kunnen configureren?
Zie Vereiste machtigingen voor informatie over de benodigde bevoegdheden.
Waarom heb ik twee bestanden voor installatie zonder toezicht nodig?
Er zijn twee bestanden voor installatie zonder toezicht nodig omdat de Windows Deployment Services-client twee typen installatiekopie kan distribueren: Windows Vista-installatiekopieën die de indeling Unattend.xml ondersteunen en Windows XP- en Windows Server 2003-installatiekopieën die gebruikmaken van het bestand Sysprep.inf. De twee bestanden die u moet maken om de installatie te kunnen automatiseren zijn:
-
Bestand voor installatie zonder toezicht op Windows Deployment Services-clients. Dit bestand maakt gebruik van de indeling Unattend.xml en wordt opgeslagen op de Windows Deployment Services-server in de map \WDSClientUnattend. Dit bestand wordt gebruikt om de bewerkingen op de schermen van de gebruikersinterface op de Windows Deployment Services-client (bijvoorbeeld referenties opgeven, een installatiekopie kiezen en de schijf configureren) te automatiseren.
-
Bestand voor installatie zonder toezicht van installatiekopie. Dit bestand maakt ofwel gebruik van de indeling Unattend.xml of Sysprep.inf, afhankelijk van de versie van het besturingssysteem in de installatiekopie. Het wordt gebruikt om opties voor installatie zonder toezicht te configureren en wordt opgeslagen in een submap (ofwel $OEM$-structuur of \Unattend) in de map per installatiekopie. Met dit bestand worden de overige stadia van de installatie (bijvoorbeeld offline onderhoud, Sysprep specialisatie en Mini-Setup) geautomatiseerd.
Zie Installaties zonder toezicht uitvoeren voor meer informatie.
Kan ik mijn gebruikers beschermen door van hen te verlangen dat zij zich aanmelden voordat ze in staat zijn hun vaste schijven opnieuw te formatteren?
Er zijn geen bevoegdheden nodig voor de volgende bewerkingen:
-
Een client opstarten in PXE (er bestaat geen mechanisme waarmee het proces van opstarten vanaf het netwerk kan worden beveiligd).
-
Een opstartkopie selecteren (er bestaat geen mechanisme waarmee de opstartkopieën in de lijst kunnen worden beveiligd).
Als de beveiliging u zorgen baart, wordt u aangeraden fysieke Windows PE-media te gebruiken om elke clientcomputer op te starten. Het eerste verificatiemechanisme voor een netwerkinstallatie vindt plaats wanneer de Windows Deployment Services-client binnen Windows PE wordt uitgevoerd. Op dit moment moeten gebruikers referenties invoeren om een installatiekopie te selecteren. Deze referenties moeten de referenties van een domeinaccount zijn. Nadat een client is geverifieerd voor de Windows Deployment Services-server, moet de geverifieerde gebruiker in staat zijn de bestanden Image.wim en Res.rwm te lezen voor een installatiekopie uit de map RemoteInstall. Standaard beschikken geverifieerde gebruikers over de vereiste bevoegdheden om dit te doen. Zie het onderdeel over bevoegdheden voor clientinstallaties in Vereiste machtigingen voor meer informatie.
Diagnostische gegevens
Van welke logboeken moet ik gebruikmaken om problemen op te lossen?
Er zijn verschillende logboeken die u kunt gebruiken om problemen mee te verhelpen. Zie Logboekregistratie en tracering voor een volledige lijst van de logboeken.
Hoe schakel ik logboeken in?
Zie Logboekregistratie en tracering voor informatie over het inschakelen van logboeken.
Veelvoorkomende taken
Het volgende onderdeel bevat een beschrijving van veelvoorkomende taken. Zie Gangbare taken uitvoeren voor een uitgebreidere lijst.
Hoe repliceer ik installatiekopieën?
Als u een kopie van een installatiekopie wilt maken, voert u de opdracht WDSUTIL /Copy-Image /Image:<naam> /ImageType:Install /ImageGroup:<naam installatiekopiegroep> /DestinationImage /Name:<naam> /Filename:<bestandsnaam> [/Description:<beschrijving>] uit
Hoe voeg ik een computer aan een domein toe?
Zie het onderdeel over naamgeving van computers en toevoegen van computers aan een domein in Installaties zonder toezicht uitvoeren voor gedetailleerde informatie over dit onderwerp. Als u een clientcomputer wilt voorbereiden op toevoeging aan een domein met behulp van WDSUTIL, voert u een van de volgende handelingen uit:
-
Als u een gebruiker in staat wilt stellen de clientcomputer eenmaal aan een domein toe te voegen, voert u de opdracht WDSUTIL /Set-Device /Device:<naam> /User:<gebruiker> /JoinRights:JoinOnly /JoinDomain:Yes /Domain:<domein> /ResetAccount uit, waarbij:
<gebruiker> de domein\gebruiker of gebruiker@domein is.
<naam> de naam van het apparaat is.
<domein> de naam van het domein is. -
Als u een gebruiker in staat wilt stellen de clientcomputer op elk gewenst moment aan een domein toe te voegen, voert u de opdracht WDSUTIL /Set-Device /Device:<naam> /User:<gebruiker> /JoinRights:Full /JoinDomain:Yes /Domain:<domein> uit.
-
Als u een clientcomputer aan een domein toe wilt voegen zonder gebruikersbevoegdheden toe te kennen, voert u de opdracht WDSUTIL /Set-Device /Device:<naam> /JoinDomain:Yes /Domain:<domein> uit
Hoe stel ik namen van computers in?
Gebruik een van de volgende methoden om een beleid op te geven voor het genereren van clientcomputernamen. Zie het onderdeel over naamgeving van computers en toevoegen van computers aan een domein in Installaties zonder toezicht uitvoeren voor gedetailleerde informatie over dit onderwerp.
| De MMC-console gebruiken | WDSUTIL gebruiken |
|---|---|
|
|
Hoe gebruik ik WDSMCast om andere typen bestanden te verzenden?
De volgende stappen beschrijven het algemene proces voor het gebruik van WDSMCast voor de overdracht van gegevens.
-
De functieservice van Transportserver installeren.
-
Maak een multicast-naamruimte door de optie /ConfigString te gebruiken om het bestand aan te wijzen dat u wilt overdragen. Als u het bestand C:\database\database.mdb bijvoorbeeld wilt overdragen, stelt u /ConfigString in op C:\database.
-
Maak een installatiekopie die Windows PE en Wdsmcast bevat, door de Windows Automated Installation Kit (AIK) te gebruiken.
-
Start de client op met de installatiekopie (door bijvoorbeeld PXE, CD-ROM, of een USB-station te gebruiken).
-
Voer de opdracht Wdsmcast /transferfile uit met de naamruimte en het relatieve pad naar het bestand (Database.mdb in dit voorbeeld).
Zie Transportserver gebruiken voor meer informatie over de procedure.
