Exporteren (0) Afdrukken
Alles uitvouwen

Gebruikte netwerkpoorten

Bijgewerkt: mei 2008

Van toepassing op: Windows Server 2008, Windows Server 2008 R2

Protocollen

Voor de installatie van installatiekopieën worden in Windows Deployment Services de volgende protocollen gebruikt:

  • Dynamic Host Configuration Protocol (DHCP)

  • Pre-Boot Execution Environment (PXE)

  • Trivial File Transfer Protocol (TFTP)

  • Remote Procedure Call (RPC)

  • Server Message Block (SMB)

  • Multicasting

Poorten

In de volgende tabel wordt aangegeven welke netwerkpoorten voor het UDP-protocol (User Data Protocol) en het TCP-protocol (Transmission Control Protocol) worden gebruikt tijdens de implementatie van installatiekopieën. U kunt de waarden met een sterretje (*) wijzigen aan de hand van de instructies in Uw server beheren.

 

UDP TCP
  • 67

  • 68 als DHCP-autorisatie vereist is op de server

  • 69

  • 4011

  • Willekeurige poorten uit het bereik 64001 - 65000*, voor het tot stand brengen van een sessie met de server voor TFTP en multicasting (conform RFC 1783 op http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=81027).

  • 135 voor RPC

  • 5040* voor RPC

  • 137–139*



Aan de hand van de volgende stappen wordt uitgelegd hoe de UDP- en TCP-poorten worden gebruikt bij de implementatie van installatiekopieën:
  1. Er wordt een PXE-opstartprocedure op de client uitgevoerd.

  2. De binaire bestanden voor PXE worden gedownload via DHCP-poorten en TFTP. Voor UDP en DHCP moet u de poorten 67, 69 en 4011 inschakelen. Daarnaast worden TFTP-eindpunten gebruikt. Standaard worden eindpunten uit het bereik 64001 - 65000 gebruikt. Zie Uw server beheren voor informatie over het aanpassen van dit bereik. U kunt deze poorten ook instellen via NAT (Network Address Translation) en de Routing and Remote Access-netwerkservice.

  3. Conform RFC 1783 (http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=81027) worden op de client willekeurige UDP-poorten gekozen voor het tot stand brengen van de sessie met de server. U doet er goed aan een toepassingsuitzondering op te geven voor TFTP als Windows Firewall is ingeschakeld op de Windows Deployment Services-server.

  4. Op de client wordt Windows PE gedownload, waarna de Windows Deployment Services-client wordt opgestart. Voor deze downloadprocedure worden dezelfde TFTP-poorten gebruikt als eerder is aangegeven.

  5. De Windows Deployment Services-client communiceert met de Windows Deployment Services-server voor verificatiedoeleinden en om de lijst met beschikbare installatiekopieën op te vragen. Deze conversatie vindt plaats via RPC aangezien RPC over een ingebouwde verificatiefunctie beschikt (en daarmee een van de weinige protocollen is die in Windows PE volledig beschikbaar zijn). U moet de poort voor de eindpunttoewijzer (TCP 135) en de poort voor de RPC-listener voor de Windows Deployment Services-server (standaard TCP 5040) openen.

  6. De Windows Deployment Services-client installeert de geselecteerde installatiekopie. De installatiekopie wordt via SMB overgebracht. U hebt alle poorten voor bestands- en printerdeling nodig (bijvoorbeeld TCP 137 t/m 139) voor de installatie van de installatiekopie.

    noteNote
    Als DHCP-autorisatie op de server vereist is, moet u poort 68 voor de DHCP-client openen op de server. DHCP-autorisatie is standaard niet vereist, maar u kunt deze functie handmatig inschakelen.

Vindt u dit nuttig?
(1500 tekens resterend)
Bedankt voor uw feedback

Community-inhoud

Toevoegen
Weergeven:
© 2014 Microsoft