Exporteren (0) Afdrukken
Alles uitvouwen

Stapsgewijze handleiding voor Afdrukbeheer in Windows Server 2008

Bijgewerkt: april 2007

Van toepassing op: Windows Server 2008

U kunt twee primaire hulpprogramma's gebruiken voor het beheren van een Windows-afdrukserver in Windows Server® 2008: Serverbeheer en Afdrukbeheer. U kunt Serverbeheer gebruiken om de serverfunctie Afdrukservices, optionele functieservices en onderdelen te installeren. Bovendien worden in Serverbeheer afdrukgebeurtenissen uit Logboeken weergegeven en bevat Afdrukservices een exemplaar van de module Afdrukbeheer waarmee alleen de lokale server kan worden beheerd.

Afdrukbeheer biedt één interface waarmee beheerders efficiënt meerdere printers en afdrukservers kunnen beheren en is het belangrijkste onderwerp van dit document. U kunt Afdrukbeheer gebruiken om printers te beheren op computers met Microsoft® Windows® 2000, Windows XP, Windows Server® 2003, Windows Vista® of Windows Server 2008.

Wat is Afdrukbeheer?

De module Afdrukbeheer is beschikbaar in de map Systeembeheer op computers met Windows Vista Business, Windows Vista Enterprise, Windows Vista Ultimate en Windows Server 2008. U kunt deze module gebruiken om alle printers en Windows-afdrukservers in uw organisatie te installeren, weer te geven en te beheren.

Afdrukbeheer biedt actuele details over de status van printers en afdrukservers in het netwerk. U kunt Afdrukbeheer gebruiken om printerverbindingen tegelijk te installeren voor een groep clientcomputers en om afdrukwachtrijen extern te controleren. Met Afdrukbeheer kunt u printers met een foutconditie vinden door filters te gebruiken. Ook kunt u Afdrukbeheer instellen om kennisgevingen via e-mail te verzenden of scripts uit te voeren wanneer een printer of afdrukserver aandacht nodig heeft. Voor printers met een webbeheerinterface kan Afdrukbeheer nog meer gegevens weergeven, bijvoorbeeld het toner- en papierniveau.

noteNote
Als u een externe afdrukserver wilt beheren, moet u lid zijn van de groep Printeroperators of Serveroperators of van de lokale groep Administrators op de externe afdrukserver. U hebt deze referenties niet nodig om externe afdrukservers te beheren, hoewel sommige functies dan worden uitgeschakeld.

Wie moet Afdrukbeheer gebruiken?

Deze handleiding is bestemd voor:

  • Afdrukbeheerders en medewerkers van helpdesks.

  • IT-planners en analisten die dit product evalueren.

  • IT-planners en -ontwerpers in ondernemingen.

Voordelen van Afdrukbeheer

Met Afdrukbeheer kunnen afdrukbeheerders aanzienlijk veel tijd besparen bij de installatie van printers op clientcomputers, plus bij het beheer en de controle van printers. Taken die soms wel uit 10 stappen kunnen bestaan op elke afzonderlijke computer, kunnen nu in 2 of 3 stappen worden uitgevoerd op meerdere computers tegelijkertijd en op afstand.

Door Afdrukbeheer te gebruiken in combinatie met een groepsbeleid kunt u printerverbindingen automatisch beschikbaar maken voor gebruikers en computers in uw organisatie. Bovendien kunt u met Afdrukbeheer automatisch zoeken naar netwerkprinters op het lokale subnet van uw lokale afdrukservers, en deze installeren.

In deze handleiding

Vereisten voor Afdrukbeheer

Als u Afdrukbeheer wilt gebruiken op Windows Server 2008, moet u de afdrukserverfunctie installeren op de computer waarop u Afdrukbeheer wilt gebruiken. Op computers waarop Windows Vista is geïnstalleerd, wordt de module Afdrukbeheer automatisch geïnstalleerd en beschikbaar gesteld via MMC (Microsoft Management Console).

Als u printerverbindingen wilt distribueren met groepsbeleid, moet uw omgeving aan de volgende vereisten voldoen:

  • Het AD DS-schema (Active Directory Domain Services) moet een Windows Server 2003 R2- of Windows Server 2008-schemaversie gebruiken.

  • Clientcomputers met Windows 2000, Windows XP of Windows Server 2003 moeten het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe gebruiken in een opstartscript (voor verbindingen per computer) of in een aanmeldingsscript (voor verbindingen per gebruiker).

Het is raadzaam bij het inrichten van een testomgeving eerst de stappen in deze handleiding te volgen. Gebruik deze stapsgewijze handleiding met de begeleidende documentatie om Windows-serverfuncties te implementeren. Zie Aanvullende bronnen verderop in deze handleiding voor meer informatie.

noteNote
De status van externe computers wordt mogelijk niet juist weergegeven in Afdrukbeheer wanneer er meer dan tien afdrukservers worden beheerd op een computer met Windows Vista. Dit komt doordat computers met Windows Vista maximaal tien gelijktijdige netwerkverbindingen ondersteunen. Als u een groot aantal afdrukservers extern wilt beheren, gebruikt u Extern bureaublad om u aan te melden bij een computer waarop Afdrukbeheer en Windows Server 2008 zijn geïnstalleerd.

Beveiligingsvereisten

Als u een externe afdrukserver wilt beheren, moet u lid zijn van de groep Printeroperators of Serveroperators of van de lokale groep Administrators op de externe afdrukserver. U hebt deze referenties niet nodig om externe afdrukservers te beheren, hoewel sommige functies dan worden uitgeschakeld.

Als u Afdrukbeheer (Printmanagement.msc) wilt gebruiken met een groepsbeleid, moet u lid zijn van de lokale groep Administrators en schrijftoegang hebben tot groepsbeleidsobjecten (GPO's) in het AD DS-domein of de organisatie-eenheid waarnaar u printerverbindingen wilt distribueren.

Het wordt aanbevolen dat beheerders een account met beperkende machtigingen gebruiken voor het uitvoeren van routinematige, niet-beheertaken en een account met ruimere machtigingen alleen gebruiken, wanneer zij speciale beheertaken uitvoeren.

Printers en afdrukservers implementeren

De volgende secties bevatten informatie over de implementatie van printers en afdrukservers:

  1. Afdrukbeheer installeren en openen

  2. Afdrukservers toevoegen en verwijderen

  3. Afdrukservers migreren

  4. Automatisch netwerkprinters toevoegen

  5. Printers distribueren via groepsbeleid

  6. Printers van Active Directory Domain Services weergeven en verwijderen

Stap 1: Afdrukbeheer installeren en openen

Afdrukbeheer wordt standaard geïnstalleerd op computers met Windows Vista Business, Windows Vista Enterprise en Windows Vista Ultimate, maar het wordt niet geïnstalleerd op computers met Windows Server 2008. Gebruik een van de volgende methoden om de module Afdrukbeheer te installeren op een computer met Windows Server 2008:

  • Gebruik de wizard Rollen toevoegen vanuit Serverbeheer om de rol Afdrukservices te installeren. Hiermee installeert u de module Afdrukbeheer en configureert u de server als een afdrukserver.

  • Gebruik de wizard Onderdelen toevoegen vanuit Serverbeheer om de optie Hulpprogramma's voor Afdrukservices van het onderdeel Externe-serverbeheerprogramma's te installeren. Met de optie Hulpprogramma's voor Afdrukservices installeert u de module Afdrukbeheer maar configureert u de server niet als een afdrukserver.

Als u Afdrukbeheer wilt openen op een computer met Windows Vista of Windows Server 2008, dubbelklikt u op Afdrukbeheer in de map Systeembeheer.

noteNote
Als u een firewall gebruikt in combinatie met Afdrukbeheer, worden mogelijk enkele of alle printers op een netwerkafdrukserver niet weergegeven. Als u dit probleem wilt verhelpen, moet u Afdrukbeheer toevoegen aan de lijst met uitzonderingen in de softwareconfiguratie van de firewall.

Stap 2: Afdrukservers toevoegen en verwijderen

Met Afdrukbeheer (Printmanagement.msc) kunt u printers beheren op afdrukservers waarop Windows 2000 of hoger is geïnstalleerd.

noteNote
De afdrukserverfunctie moet zijn geïnstalleerd en u moet lid zijn van de groep Administrators om deze procedures uit te voeren.

Afdrukservers toevoegen aan Afdrukbeheer
  1. Open de map Systeembeheer en dubbelklik vervolgens op Afdrukbeheer.

  2. Klik in de structuur van Afdrukbeheer met de rechtermuisknop op Afdrukbeheer en klik vervolgens op Servers toevoegen of verwijderen.

  3. Voer in het dialoogvenster Servers toevoegen of verwijderen onder Afdrukserver opgeven in Server toevoegen een van de volgende stappen uit:

    • Typ de naam.

    • Klik op Bladeren om de afdrukserver te zoeken en te selecteren.

  4. Klik op Toevoegen aan lijst.

  5. Voeg zoveel afdrukservers toe als u wilt en klik vervolgens op OK.

    noteNote
    U kunt de lokale server waarop u werkt, toevoegen door te klikken op Lokale server toevoegen.

Afdrukservers verwijderen uit Afdrukbeheer
  1. Open de map Systeembeheer en dubbelklik vervolgens op Afdrukbeheer.

  2. Klik in de structuur van Afdrukbeheer met de rechtermuisknop op Afdrukbeheer en klik vervolgens op Servers toevoegen of verwijderen.

  3. Selecteer in het dialoogvenster Servers toevoegen of verwijderen onder Afdrukservers een of meer servers en klik op Verwijderen.

Stap 3: Afdrukservers migreren

U kunt de wizard Printer migreren of het opdrachtregelprogramma Printbrm.exe gebruiken om afdrukwachtrijen, printerinstellingen, printerpoorten en taalmonitors te exporteren en deze vervolgens te importeren op een andere afdrukserver met een Windows-besturingssysteem. Dit is een efficiënte manier om meerdere afdrukservers samen te voegen of een oudere afdrukserver te vervangen.

noteNote
De wizard Printermigratie en het opdrachtregelprogramma Printbrm.exe zijn geïntroduceerd in Windows Vista. Ze komen in de plaats van Print Migrator 3.1.

Afdrukservers migreren

Afdrukservers migreren met Afdrukbeheer
  1. Open de map Systeembeheer en klik vervolgens op Afdrukbeheer.

  2. Klik in de structuur van Afdrukbeheer, klik met de rechtermuisknop op de naam van de computer met de printerwachtrijen die u wilt exporteren en klik vervolgens op Printers naar een bestand exporteren. Hierdoor wordt de wizard Printer migreren gestart.

  3. Geef op de pagina Selecteer de bestandslocatie de locatie op waar de printerinstellingen moeten worden opgeslagen en klik vervolgens op Volgende om de printers op te slaan.

  4. Klik met de rechtermuisknop op de doelcomputer waar u de printers wilt importeren en klik vervolgens op Printers vanuit een bestand importeren. Hierdoor wordt de wizard Printer migreren gestart.

  5. Geef op de pagina Selecteer de bestandslocatie de locatie van het bestand met de printerinstellingen op en klik vervolgens op Volgende.

  6. Geef op de pagina Selecteer opties voor importeren de volgende importeeropties op:

    • Modus voor importeren. Hiermee geeft u op wat er moet gebeuren als een bepaalde afdrukwachtrij al bestaat op de doelcomputer.

    • In Active Directory opnemen. Hiermee geeft u op of de geïmporteerde afdrukwachtrijen moeten worden gepubliceerd in Active Directory Domain Services.

    • LPR-poorten naar standaardpoortmonitors omzetten. Hiermee geeft u op of LPR-poorten (Line Printer Remote) in het bestand met printerinstellingen moeten worden omgezet naar de snellere standaardpoortmonitor bij het importeren van printers.

  7. Klik op Volgende om de printers te importeren.

Afdrukservers migreren via een opdrachtprompt
  1. Als u een opdrachtpromptvenster wilt openen, klikt u op Start, op Alle programma's en op Bureau-accessoires. Klik met de rechtermuisknop op Opdrachtprompt en klik vervolgens op Als administrator uitvoeren.

  2. Typ:

    CD %WINDIR%\System32\Spool\Tools Printbrm -s \\<sourcecomputername> -b -f <filename>.printerExport
    
  3. Typ:

    Printbrm -s \\<destinationcomputername> -r -f <filename>.printerExport
    

 

Waarde Beschrijving

<sourcecomputername>

De UNC-naam (Universal Naming Convention) van de bron- of doelcomputer.

<destinationcomputername>

De UNC-naam (Universal Naming Convention) van de doelcomputer.

<filename>

De naam voor het bestand met de afdrukinstellingen. Gebruik de bestandsextensie .printerExport of .CAB.

noteNote
U kunt de volledige syntaxis van deze opdracht weergeven door de volgende opdracht op de opdrachtregel te typen: Printbrm /?

Verdere overwegingen

  • Met de wizard Printer migreren en met Printbrm.exe kunt u aangepaste formulieren of kleurenprofielen alleen importeren op de lokale computer. Printerinstellingen die met het hulpprogramma Print Migrator zijn geëxporteerd, worden niet ondersteund.

  • Met de wizard Printer migreren en met Printbrm.exe kunt u printers importeren en exporteren op computers met Windows 2000, Windows XP, Windows Server 2003, Windows Vista of Windows Server 2008. Sommige stuurprogramma's worden echter niet juist geïmporteerd op sommige besturingssystemen. Computer met Windows 2000 ondersteunen bijvoorbeeld geen x64-printerstuurprogramma's.

  • U kunt de functie Taakplanner van Windows gebruiken om te plannen dat met het hulpprogramma Printbrm.exe regelmatig printers worden geëxporteerd of geïmporteerd. U kunt deze functie gebruiken als aanvulling op systeemback-ups.

Stap 4: Automatisch netwerkprinters toevoegen

In Afdrukbeheer (Printmanagement.msc) kunnen alle printers die zich bevinden in hetzelfde subnet als de computer waarop u Afdrukbeheer uitvoert automatisch worden gedetecteerd, de betreffende printerstuurprogramma's worden geïnstalleerd, de wachtrijen worden ingesteld en de printers worden gedeeld.

Netwerkprinters automatisch aan een afdrukserver toevoegen
  1. Open de map Systeembeheer en dubbelklik vervolgens op Afdrukbeheer.

  2. Klik in de boomstructuur van Afdrukbeheer met de rechtermuisknop op de gewenste server en klik vervolgens op Printer toevoegen.

  3. Klik op de pagina Installatie van printer van de wizard Netwerkprinter installeren, klik op In het netwerk naar printers zoeken en klik op Volgende. Als hierom wordt gevraagd, geeft u op welk stuurprogramma u wilt installeren voor de printer.

noteNote
Als u netwerkprinters wilt detecteren in hetzelfde subnet als een externe server, gebruikt u Extern bureaublad om u aan te melden bij de afdrukserver, opent u Afdrukbeheer en voegt u de netwerkprinter toe.

Stap 5: Printers distribueren via groepsbeleid

U kunt Afdrukbeheer (Printmanagement.msc) gebruiken met groepsbeleid om printerverbindingen automatisch te implementeren voor gebruikers of computers en de juiste printerstuurprogramma's te installeren. Dit is een handige methode om een printer te installeren in een omgeving, zoals een laboratorium, een klaslokaal of een filiaal, waarin de meeste computers of gebruikers toegang moeten hebben tot dezelfde printers. Het is ook een handige methode voor het implementeren van printerstuurprogramma's voor gebruikers die geen lid zijn van de lokale groep Administrators en Windows Vista hebben geïnstalleerd.

Als u printerverbindingen wilt distribueren met groepsbeleid, moet uw omgeving aan de volgende vereisten voldoen:

  • Het AD DS-schema (Active Directory Domain Services) moet een Windows Server 2003 R2- of Windows Server 2008-schemaversie gebruiken.

  • Clientcomputers met Windows 2000, Windows XP of Windows Server 2003 moeten het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe gebruiken in een opstartscript (voor verbindingen per computer) of in een aanmeldingsscript (voor verbindingen per gebruiker).

Als u printerverbindingen wilt distribueren met een groepsbeleid, moet u de volgende secties gebruiken:

  • Printerverbindingen distribueren

  • Het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe distribueren

  • Stuurprogramma-installatiebeveiliging wijzigen voor printers die zijn geïmplementeerd met behulp van groepsbeleid

Printerverbindingen distribueren

Als u printerverbindingen met gebruikers of computers wilt distribueren met behulp van groepsbeleid, gebruikt u het dialoogvenster Met Groepsbeleid distribueren in Afdrukbeheer. Hiermee voegt u de printerverbindingen toe aan een groepsbeleidsobject (GPO).

Met groepsbeleid printers distribueren voor gebruikers of computers
  1. Open de map Systeembeheer en dubbelklik vervolgens op Afdrukbeheer.

  2. Klik in de boomstructuur van Afdrukbeheer onder de juiste afdrukserver op Printers.

  3. Klik in het resultaatvenster met de rechtermuisknop op de printer die u wilt distribueren en klik vervolgens op Distribueren met Groepsbeleid.

  4. Klik in het dialoogvenster Distribueren met Groepsbeleid op Bladeren en kies of maak een nieuwe GPO om de printerverbindingen in op te slaan.

  5. Klik op OK.

  6. Geef op of u de printerverbindingen wilt distribueren voor gebruikers of computers:

    • Als u de distributie voor gebruikers of computers zo wilt uitvoeren dat alle gebruikers van de computers toegang kunnen krijgen tot de printers, schakelt u het selectievakje De computers waarop dit groepsbeleidobject van toepassing is (per computer) in.

    • Als u de distributie voor groepen gebruikers zo wilt uitvoeren dat de gebruikers toegang kunnen krijgen tot de printers van elke computer waarbij ze zich aanmelden, schakelt u het selectievakje De gebruikers waarop dit groepsbeleidobject van toepassing is (per gebruiker) in.

    noteNote
    Clientcomputers met Windows 2000 ondersteunen geen verbindingen per computer.

  7. Klik op Toevoegen.

  8. Herhaal de stappen 3 tot en met 6 om de instelling voor de printerverbinding indien nodig aan een ander groepsbeleidsobject toe te wijzen.

  9. Klik op OK.

noteNote
Voor verbindingen per computer worden de printerverbindingen toegevoegd wanneer de gebruiker zich aanmeldt (of wanneer de computer opnieuw wordt gestart als u het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe gebruikt). Voor verbindingen per gebruiker worden de printerverbindingen toegevoegd tijdens het op de achtergrond vernieuwen van het beleid (of wanneer de gebruiker zich aanmeldt als u het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe gebruikt). Als u de instellingen voor de printerverbinding uit het groepsbeleidsobject verwijdert, worden de bijbehorende printers van de clientcomputer verwijderd tijdens de volgende beleidsvernieuwing op de achtergrond of gebruikersaanmelding (of de volgende keer dat de computer opnieuw wordt gestart of de gebruiker zich aanmeldt als u het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe gebruikt).

Het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe distribueren

Als u printerverbindingen met behulp van groepsbeleid wilt distribueren op computers met versies van Windows die ouder zijn dan Windows Vista, moet u het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe toevoegen aan een computeropstartscript of een gebruikersaanmeldingsscript. Met het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe worden de printerverbindingsinstellingen van het groepsbeleid gelezen en worden de juiste printerverbindingen toegevoegd aan de computer of gebruikersaccount (of worden bestaande verbindingen bijgewerkt).

Het bestand PushPrinterConnections.exe wordt automatisch gedetecteerd en afgesloten op computers met Windows Vista of Windows Server 2008. Deze computers hebben een ingebouwde ondersteuning voor printerverbindingen die zijn gedistribueerd met groepsbeleid, zodat u dit bestand veilig kunt distribueren naar alle clientcomputers in uw organisatie.

noteNote
Bij de volgende procedure wordt ervan uitgegaan dat u de versie van de console Groepsbeleidsbeheer (GPMC) gebruikt die is opgenomen in Windows Server 2008. Als u GPMC wilt installeren op Windows Server 2008, gebruikt u de wizard Onderdelen toevoegen in Serverbeheer. Als u een andere versie van GPMC gebruikt, wijken de stappen mogelijk een beetje af.

Het bestand PushPrinterConnections.exe toevoegen aan opstart- en aanmeldingsscripts
  1. Open de GPMC.

  2. Navigeer in de GPMC-consolestructuur naar het domein of de organisatie-eenheid waarin de computer- of gebruikersaccounts worden opgeslagen waarnaar u het hulpprogramma PushPrinterConections.exe wilt distribueren.

  3. Klik met de rechtermuisknop op het groepsbeleidsobject dat de printerverbindingen bevat die u wilt distribueren met het groepsbeleid en klik vervolgens op Bewerken.

  4. Navigeer naar een van de volgende locaties:

    • Als de printerverbindingen per computer worden gedistribueerd, gaat u naar Computerconfiguratie, Beleid, Windows-instellingen, Scripts (Opstarten/Afsluiten).

    • Als de printerverbindingen per gebruiker worden gedistribueerd, gaat u naar Gebruikersconfiguratie, Beleid, Windows-instellingen, Scripts (Aanmelden/Afmelden).

    noteNote
    Clientcomputers met Windows 2000 ondersteunen geen verbindingen per computer.

  5. Klik met de rechtermuisknop op Opstarten of Aanmelden en klik vervolgens op Eigenschappen.

  6. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen voor Opstarten of Eigenschappen voor Aanmelden op Bestanden weergeven. Het opstart- of aanmeldingsvenster verschijnt.

  7. Kopieer het bestand PushPrinterConnections.exe van de map %WINDIR%\System32 naar het opstart- of aanmeldingsvenster. Hiermee voegt u het hulpprogramma toe aan het groepsbeleidsobject, van waaruit het wordt gedistribueerd naar de andere domeincontrollers met de groepsbeleidsinstellingen.

  8. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen voor Opstarten of Eigenschappen voor Aanmelden op Toevoegen. Het dialoogvenster Script toevoegen wordt weergegeven.

  9. Typ het volgende in het vak Scriptnaam: PushPrinterConnections.exe

  10. Als u registratie wilt inschakelen op clientcomputers met Windows Server 2003, Windows XP of Windows 2000, typt u in het vak Scriptparameters het volgende: –log

    Logboekbestanden worden naar %WINDIR%\temp\ppcMachine.lo geschreven (voor verbindingen per computer) en naar %temp%\ppcUser.log geschreven (voor verbindingen per gebruiker) op de computer waarop het beleid wordt toegepast.

  11. Klik in het dialoogvenster Script toevoegen op OK.

  12. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen voor Opstarten of Eigenschappen voor Aanmelden op OK.

  13. Gebruik GPMC om het groepsbeleidsobject te koppelen aan andere organisatie-eenheden of domeinen waarnaar u het hulpprogramma PushPrinterConnections.exe wilt distribueren.

Beveiligingsinstellingen van de stuurprogramma-installatie wijzigen voor printers die zijn geïmplementeerd met behulp van een groepsbeleid

De standaardbeveiligingsinstellingen voor Windows Vista en Windows Server 2008 staan een gebruiker die geen lid is van de lokale groep Administrators alleen toe vertrouwde printerstuurprogramma's te installeren, zoals de stuurprogramma's die worden meegeleverd bij Windows-besturingssystemen of in digitaal ondertekende printerstuurprogrammapakketten.

Als u gebruikers die geen lid zijn van de lokale groep Administrators wilt toestaan printerverbindingen te installeren die worden geïmplementeerd met behulp van groepsbeleid en printerstuurprogramma's op te nemen die niet digitaal zijn ondertekend, moet u de groepsbeleidsinstellingen Beperkingen van point-and-print configureren. Als u deze groepsbeleidsinstellingen niet configureert, moeten gebruikers mogelijk de referenties opgeven van iemand die behoort tot de lokale groep Administrators.

noteNote
Bij de volgende procedure wordt ervan uitgegaan dat u de versie van de console Groepsbeleidsbeheer (GPMC) gebruikt die is opgenomen in Windows Server 2008. Als u GPMC wilt installeren op Windows Server 2008, gebruikt u de wizard Onderdelen toevoegen in Serverbeheer. Als u een andere versie van GPMC gebruikt, wijken de stappen mogelijk een beetje af.

Beveiligingsinstellingen voor stuurprogramma-installaties wijzigen voor printers die zijn geïmplementeerd met behulp van groepsbeleid
  1. Open de GPMC.

  2. Open het groepsbeleidsobject (GPO) waarvoor de printerverbindingen zijn geïmplementeerd en navigeer naar Gebruikersconfiguratie, Beleid, Beheersjablonen, Configuratiescherm en Printers.

  3. Klik met de rechtermuisknop op Beperkingen van point-and-print en klik vervolgens op Eigenschappen.

  4. Klik op Ingeschakeld.

  5. Schakel de volgende selectievakjes uit:

    • Gebruikers kunnen alleen point-and-print-opdrachten aan deze servers verzenden

    • Gebruikers kunnen alleen point-and-print-opdrachten naar computers in het eigen forest verzenden

  6. Selecteer Geen waarschuwing of vraag om bevoegdheden weergeven in het vak Wanneer u stuurprogramma's voor een nieuwe verbinding installeert.

  7. Schuif naar beneden en selecteer Alleen waarschuwing weergeven in het vak Wanneer u stuurprogramma's voor een bestaande verbinding bijwerkt.

  8. Klik op OK.

Nadat u deze instellingen hebt geconfigureerd, kunnen alle gebruikers printerverbindingen en de stuurprogramma's op hun gebruikersaccounts ontvangen met behulp van groepsbeleid zonder dat er vragen worden gesteld of waarschuwingen worden weergegeven. Gebruikers ontvangen een waarschuwing voordat bijgewerkte stuurprogramma's van de afdrukserver worden geïnstalleerd, maar ze hoeven niet te behoren tot de lokale groep Administrators om de bijgewerkte stuurprogramma's te installeren.

Stap 6 Printers van Active Directory Domain Services weergeven en verwijderen

Als u printers in Active Directory Domain Services (AD DS) weergeeft, maakt u het gebruikers gemakkelijker printers te vinden en te installeren. Nadat u printers op een printerserver hebt geïnstalleerd, kunt u Afdrukbeheer gebruiken om de printers in AD DS weer te geven.

U kunt meer dan een printer tegelijkertijd weergeven. U kunt een filter instellen om alle printers weer te geven die u wilt weergeven of verwijderen, zodat u heel gemakkelijk alle printers tegelijkertijd kunt selecteren.

Printers in AD DS weergeven of verbergen
  1. Open de map Systeembeheer en dubbelklik vervolgens op Afdrukbeheer.

  2. Klik in de structuur van Afdrukbeheer onder de betreffende afdrukserver op Printers.

  3. Klik in het deelvenster met resultaten met de rechtermuisknop op de printer die u wilt weergeven of verwijderen en klik vervolgens op Beschikbaar maken of Ontoegankelijk maken.

Printers en afdrukservers beheren

De volgende secties bevatten informatie over het beheer van printers en afdrukservers met behulp van Afdrukbeheer:

U kunt meerdere bewerkingen uitvoeren op alle printers op een bepaalde server of uitvoeren op alle printers die aan de voorwaarden van een bepaald filter voldoen. U kunt de volgende acties op meerdere printers tegelijk uitvoeren:

  • Het afdrukken onderbreken of hervatten

  • Alle taken annuleren

  • Printers in AD DS weergeven of verwijderen

  • Printers verwijderen

U kunt een lijst met stuurprogramma's, formulieren, poorten of printers ook exporteren door te klikken op Meer acties in het deelvenster Acties en vervolgens te klikken op Lijst exporteren.

Printerstuurprogramma's bijwerken en beheren

De volgende secties bevatten informatie over hoe u allerlei taken uitvoert wanneer u printerstuurprogramma's bijwerkt of beheert op een afdrukserver:

  • Stuurprogramma's toevoegen voor clientcomputers met 32-bits of 64-bits versies van Windows

  • Printerstuurprogramma's bijwerken of wijzigen

  • Stuurprogramma's verwijderen

Stuurprogramma's toevoegen voor clientcomputers met 32-bits of 64-bits versies van Windows

Als u clientcomputers wilt ondersteunen die andere processorarchitecturen gebruiken dan de afdrukserver, moet u extra stuurprogramma's installeren. Als op uw afdrukserver bijvoorbeeld een 64-bits versie van Windows is geïnstalleerd en u clientcomputers met 32-bits versies van Windows wilt ondersteunen, moet u x86-stuurprogramma's toevoegen voor elke printer.

Clientprinterstuurprogramma's toevoegen aan de afdrukserver
  1. Klik met de rechtermuisknop op de printer waaraan u extra printerstuurprogramma's wilt toevoegen en klik vervolgens op Delen beheren.

  2. Klik op Extra stuurprogramma's. Het dialoogvenster Extra stuurprogramma's wordt weergegeven.

  3. Schakel het selectievakje in van de processorarchitectuur waaraan u stuurprogramma's wilt toevoegen.

    Als op de afdrukserver bijvoorbeeld een x64-versie van Windows is geïnstalleerd, schakelt u het selectievakje x86 in om printerstuurprogramma's voor de 32-bits versie te installeren voor clientcomputers met een 32-bits versie van Windows.

  4. Als het stuurprogramma-archief van de afdrukserver niet de juiste printerstuurprogramma's bevat, wordt u gevraagd om de locatie van de stuurprogrammabestanden. Download de juiste stuurprogrammabestanden en pak ze uit, en geef vervolgens in het dialoogvenster dat verschijnt het pad op naar het INF-bestand van het stuurprogramma.

    noteNote
    Mogelijk kunt u sommige printerstuurprogramma's niet uitpakken zonder ze te installeren. Als dit het geval is, meldt u zich aan bij een clientcomputer die dezelfde processorarchitectuur gebruikt als de printerstuurprogramma's die u wilt toevoegen aan de afdrukserver en installeert u die printerstuurprogramma's. Gebruik vervolgens Afdrukbeheer vanaf de clientcomputer om verbinding te maken met de afdrukserver, en de extra stuurprogramma's toe te voegen vanuit het dialoogvenster Extra stuurprogramma's. De stuurprogramma's worden automatisch van de clientcomputer geüpload naar de afdrukserver.

Printerstuurprogramma's bijwerken of wijzigen

Ga als volgt te werk als u de printerstuurprogramma's voor een printer wilt bijwerken of wijzigen. De volgende keer dat u op een clientcomputer probeert af te drukken naar de printer, worden automatisch bijgewerkte printerstuurprogramma's gedownload en geïnstalleerd.

noteNote
Volg bij het installeren van printerstuurprogramma's die zijn geleverd door de fabrikant van het apparaat, de instructies die zijn meegeleverd bij het stuurprogramma in plaats van deze procedure.

Printerstuurprogramma's voor een printer bijwerken of wijzigen
  1. Klik met de rechtermuisknop op de printer met het stuurprogramma dat u wilt wijzigen of bijwerken en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Klik op het tabblad Geavanceerd.

  3. Selecteer een nieuw stuurprogramma in het vak Stuurprogramma of klik op Nieuw stuurprogramma om een nieuw printerstuurprogramma te installeren.

Printerstuurprogramma's verwijderen

Wanneer u een printerstuurprogramma installeert op een computer met Windows Vista of Windows Server 2008, wordt het printerstuurprogramma eerst geïnstalleerd in het lokale stuurprogramma-archief en wordt het vervolgens vanuit het archief geïnstalleerd.

Bij het verwijderen van printerstuurprogramma's kunt u ervoor kiezen alleen het printerstuurprogramma of het volledige printerstuurprogrammapakket te verwijderen. Als u het printerstuurprogramma verwijdert, wordt het printerstuurprogramma verwijderd maar blijft het printerstuurprogrammapakket achter in het stuurprogramma-archief zodat u het stuurprogramma later opnieuw kunt installeren. Als u het printerstuurprogrammapakket verwijdert, wordt het pakket uit het stuurprogramma-archief verwijderd, waarbij het printerstuurprogramma volledig van de computer wordt verwijderd.

Als u printerstuurprogramma's van een server wilt verwijderen, gaat u als volgt te werk:

Printerstuurprogramma's verwijderen
  1. Verwijder printers die het stuurprogramma gebruiken dat u wilt verwijderen van de afdrukserver of wijzig het stuurprogramma dat wordt gebruikt door elke printer in een ander stuurprogramma.

  2. Klik in de boomstructuur van Afdrukbeheer op Stuurprogramma's.

  3. Alleen het stuurprogramma verwijderen (zodat het INF-bestand en hieraan gerelateerde bestanden van het stuurprogramma achterblijven op de server) of het printerstuurprogrammapakket verwijderen:

    • Als u alleen de geïnstalleerde stuurprogrammabestanden wilt verwijderen, klikt u met de rechtermuisknop op het stuurprogramma en klikt u vervolgens op Verwijderen.

    • Als u het stuurprogrammapakket uit het stuurprogramma-archief wilt verwijderen, waarbij het stuurprogramma volledig van de computer wordt verwijderd, klikt u met de rechtermuisknop op het stuurprogramma en klikt u vervolgens op Stuurprogrammapakket verwijderen.

Installatiebeveiliging voor printerstuurprogramma's beheren

De standaardbeveiligingsinstellingen voor Windows Vista en Windows Server 2008 staan een gebruiker die geen lid is van de lokale groep Administrators alleen toe vertrouwde printerstuurprogramma's te installeren, zoals de stuurprogramma's die worden meegeleverd bij Windows of in digitaal ondertekende printerstuurprogrammapakketten. Hiermee voorkomt u dat gebruikers ongeteste of onbetrouwbare printerstuurprogramma's of stuurprogramma's installeren die zijn aangepast en nu schadelijke code bevatten (malware). Dit betekent echter dat gebruikers soms niet het juiste stuurprogramma voor een gedeelde printer kunnen installeren, zelfs niet als het stuurprogramma is getest en goedgekeurd in uw omgeving.

De volgende secties bevatten informatie over hoe u gebruikers die geen lid zijn van de lokale groep Administrators kunt toestaan om verbinding te maken met een afdrukserver en printerstuurprogramma's te installeren waarvoor de server als host fungeert:

  • Printerstuurprogrammapakketten installeren op de afdrukserver

  • Groepsbeleid gebruiken om printerverbindingen te implementeren voor gebruikers of computers

  • Groepsbeleid gebruiken om beveiligingsinstellingen voor printerstuurprogramma's aan te passen

Printerstuurprogrammapakketten installeren op de afdrukserver

Printerstuurprogrammapakketten zijn digitaal ondertekende printerstuurprogramma's waarmee alle onderdelen van het stuurprogramma worden geïnstalleerd in het stuurprogramma-archief op clientcomputers (als op de server en de clientcomputers Windows Vista of Windows Server 2008 wordt uitgevoerd). Bovendien stelt u met het gebruik van printerstuurprogrammapakketten op een afdrukserver met Windows Vista of Windows Server 2008 gebruikers die geen lid zijn van de lokale groep Administrators in staat verbinding te maken met de afdrukserver en bijgewerkte printerstuurprogramma's te installeren of te ontvangen.

Als u printerstuurprogrammapakketten wilt gebruiken, downloadt en installeert u op een afdrukserver met Windows Server 2008 of Windows Vista de gewenste printerstuurprogrammapakketten van de printerleverancier.

noteNote
U kunt ook printerstuurprogrammapakketten downloaden en installeren van een afdrukserver naar clientcomputers met Windows Server 2003, Windows XP en Windows 2000. De clientcomputers controleren echter de digitale handtekening van het stuurprogramma niet of ze installeren alle onderdelen van het stuurprogramma in het stuurprogramma-archief omdat het clientbesturingssysteem deze onderdelen niet ondersteunt.

Groepsbeleid gebruiken om printerverbindingen te implementeren voor gebruikers of computers

U kunt Afdrukbeheer met groepsbeleid gebruiken om automatisch printerverbindingen aan de map Printers toe te voegen zonder dat de gebruiker lokale beheerdersbevoegdheden nodig heeft.

Groepsbeleid gebruiken om beveiligingsinstellingen voor printerstuurprogramma's aan te passen

U kunt de groepsbeleidsinstellingen Beperkingen van point-and-print gebruiken om te bepalen hoe gebruikers printerstuurprogramma's kunnen installeren vanaf afdrukservers. U kunt deze instelling gebruiken om gebruikers enkel toe te staan verbinding te maken met specifieke afdrukservers die u vertrouwt. Aangezien u hiermee voorkomt dat gebruikers verbinding maken met andere afdrukservers die mogelijk als host kunnen fungeren voor schadelijke of ongeteste printerstuurprogramma's, kunt u de waarschuwingsberichten voor de printerstuurprogramma-installatie uitschakelen zonder de beveiliging in gevaar te brengen.

Evalueer zorgvuldig de afdrukbehoeften van uw gebruikers voordat u bepaalt met welke afdrukservers ze verbinding kunnen maken. Als gebruikers af en toe verbinding moeten maken met gedeelde printers in een andere vestiging of op een andere afdeling, moet u die printerservers toevoegen aan de lijst (als u de printerstuurprogramma's vertrouwt die op de servers zijn geïnstalleerd).

U kunt ook de instelling Beperkingen van point-and-print gebruiken om waarschuwingsprompts volledig uit te schakelen, hoewel u hiermee de verbeterde installatiebeveiliging voor printerstuurprogramma's van Windows Vista en Windows Server 2008 uitschakelt voor deze gebruikers.

noteNote
Bij de volgende procedure wordt ervan uitgegaan dat u de versie van de console Groepsbeleidsbeheer (GPMC) gebruikt die is opgenomen in Windows Server 2008. Als u GPMC wilt installeren op Windows Server 2008, gebruikt u de wizard Onderdelen toevoegen van Serverbeheer. Als u een andere versie van GPMC gebruikt, wijken de stappen mogelijk een beetje af.

De instelling Beperkingen van point-and-print aanpassen
  1. Open de console Groepsbeleidsbeheer (GPMC).

  2. Navigeer in de GPMC-consolestructuur naar het domein of de organisatie-eenheid waarin de gebruikersaccounts worden opgeslagen waarvoor u de beveiligingsinstellingen voor printerstuurprogramma's wilt aanpassen.

  3. Klik met de rechtermuisknop op het gewenste domein of de gewenste organisatie-eenheid, klik op Groepsbeleidsobject in dit domein maken en hier een koppeling maken, typ een naam voor het nieuwe GPO en klik vervolgens op OK.

  4. Klik met de rechtermuisknop op het groepsbeleidsobject dat u hebt gemaakt en klik vervolgens op Bewerken.

  5. Klik in de boomstructuur Editor voor groepsbeleidsbeheer achtereenvolgens op Gebruikersconfiguratie, Beleid, Beheersjablonen, Configuratiescherm en Printers.

  6. Klik met de rechtermuisknop op Beperkingen van point-and-print en klik vervolgens op Eigenschappen.

Gebruikers alleen toestaan verbinding te maken met specifieke afdrukservers die u vertrouwt:

  1. Klik op Ingeschakeld in het dialoogvenster Beperkingen van point-and-print.

  2. Schakel het selectievakje Gebruikers kunnen alleen point-and-print-opdrachten aan deze servers verzenden in als dit nog niet is gebeurd.

  3. Typ in het tekstvak de volledige namen van de servers waarmee gebruikers verbinding moeten kunnen maken. Scheid de namen van elkaar met een puntkomma.

  4. Kies Geen waarschuwing of vraag om bevoegdheden weergeven in het vak Wanneer u stuurprogramma's voor een nieuwe verbinding installeert.

  5. Kies Alleen waarschuwing weergeven in het vak Wanneer u stuurprogramma's voor een bestaande verbinding bijwerkt.

  6. Klik op OK.

    noteNote
    Als u het weergeven van waarschuwingsberichten voor stuurprogramma-installaties en het vragen om benodigde bevoegdheden wilt uitschakelen op computers met Windows Vista of Windows Server 2008, klik u op Uitgeschakeld in het dialoogvenster Beperkingen van point-and-print en klikt u op OK. Hiermee schakelt u de verbeterde installatiebeveiliging uit voor printerstuurprogramma's van Windows Vista en Windows Server 2008.

Een nieuw printerfilter maken

Met filters worden alleen de printers weergegeven die aan bepaalde criteria voldoen. Het kan bijvoorbeeld handig zijn om een filter te gebruiken voor printers met bepaalde foutcondities of voor printers in een groep gebouwen, onafhankelijk van de afdrukserver die deze gebruiken. Filters worden opgeslagen in de map Aangepaste printerfilters in de structuur van Afdrukbeheer en zijn dynamisch, zodat de gegevens altijd zijn bijgewerkt.

Bij Afdrukbeheer (Printmanagement.msc) worden vier standaardfilters geleverd. Voor elk filter dat u maakt, kunt u kiezen of u een kennisgeving per e-mail wilt instellen of dat u een script wilt uitvoeren wanneer aan de voorwaarden van het filter wordt voldaan. Dit is nuttig wanneer u op de hoogte wilt worden gesteld van printerproblemen, vooral in een organisatie die bestaat uit meerdere gebouwen en waar meerdere beheerders werken.

U kunt bijvoorbeeld een filter instellen voor alle printers die door een bepaalde afdrukserver worden beheerd en waarvan de status niet gelijk is aan Gereed. Als een printer vervolgens van de status Gereed overschakelt op een andere status, ontvangt de beheerder een kennisgeving per e-mail vanuit Afdrukbeheer.

noteNote
De afdrukserverfunctie moet zijn geïnstalleerd en u moet lid zijn van de groep Administrators om deze procedures uit te voeren.

Een gefilterde weergave instellen en opslaan
  1. Open de map Systeembeheer en dubbelklik vervolgens op Afdrukbeheer.

  2. Klik in de structuur van Afdrukbeheer met de rechtermuisknop op de map Aangepaste printerfilters en klik vervolgens op Nieuw printerfilter toevoegen. Hierdoor wordt de wizard Nieuw printerfilter maken gestart.

  3. Typ op de wizardpagina Naam en beschrijving van printerfilter een naam voor het printerfilter. De naam wordt weergegeven in de map Aangepaste printerfilters in de structuur van Afdrukbeheer.

  4. Typ desgewenst een beschrijving bij Beschrijving.

  5. Als u het aantal printers wilt weergeven dat voldoet aan de voorwaarden van een, schakelt u het selectievakje Totaal aantal printers samen met de filternaam weergeven in.

  6. Klik op Volgende.

  7. Voer op de wizardpagina Printerfilter definiëren de volgende bewerking uit:

    1. Klik in de lijst Veld op de afdrukwachtrij of het printerstatuskenmerk.

    2. Klik in de lijst Voorwaarde op de voorwaarde.

    3. Typ een waarde in het vak Waarde.

    4. Blijf criteria toevoegen totdat het filter volledig is en klik vervolgens op Volgende.

  8. Voer een of beide van de volgende bewerkingen uit op de wizardpagina Kennisgevingen instellen (optioneel):

    • Als u een kennisgeving per e-mail wilt instellen, schakelt u het selectievakje Kennisgeving via e-mail verzenden in en typt u een of meer e-mailadressen van ontvangers en afzenders. U moet een SMTP-server opgeven om het bericht te routeren. Gebruik de indeling account@domein en gebruik puntkomma's om meerdere accounts van elkaar te scheiden.

    • Als u wilt instellen dat er een script wordt uitgevoerd, schakelt u het selectievakje Script uitvoeren in en geeft u vervolgens het pad op waarop het scriptbestand zich bevindt. Als u meer argumenten wilt toevoegen, typt u deze in Extra argumenten.

  9. Klik op Voltooien.

    noteNote
    Als u kennisgevingen wilt instellen voor bestaande printerfilters, klikt u met de rechtermuisknop op een gefilterde weergave en klikt u vervolgens op Kennisgevingen instellen.

Optionele kennisgevingen instellen

Wanneer u een filter maakt of wijzigt, kunt u kiezen of u een automatische kennisgeving per e-mail naar iemand wilt verzenden of dat u een script wilt uitvoeren wanneer aan de voorwaarden van het filter wordt voldaan. Dit is nuttig voor het oplossen van printerproblemen, vooral in een organisatie die bestaat uit meerdere gebouwen en waar meerdere beheerders werken.

U kunt bijvoorbeeld een weergave instellen van alle printers die door een bepaalde afdrukserver worden beheerd en waarvan de status niet gelijk is aan Gereed. Als een printer vervolgens van de status Gereed overschakelt op een andere status, ontvangt de beheerder een kennisgeving per e-mail vanuit Afdrukbeheer.

U kunt niet alleen kennisgevingen instellen voor een aangepaste set printers, maar ook voor printerserverobjecten. Als de server bijvoorbeeld offline is of de spooler wordt uitgeschakeld, kan er een kennisgeving per e-mail worden verzonden.

Scripts gebruiken

Wanneer u een filter maakt voor specifieke printercriteria, kunt u ervoor kiezen een script uit te voeren wanneer aan de voorwaarden van het filter wordt voldaan. Scriptmeldingen worden gedefinieerd in het dialoogvenster Meldingen. Het instellen van scriptmeldingen kan nuttig zijn voor het verhelpen van printerproblemen en andere probleemoplossingen.

De argumenten die aan het script worden doorgegeven voor filtermeldingen, zijn: DoorGebruikerOpgegevenArgumenten Printernaam \\Servernaam Filternaam. Wanneer het script geen parameters toelaat die zijn gedefinieerd met Afdrukbeheer, kunt u de knop Test gebruiken om te controleren of het script naar verwachting wordt uitgevoerd. DoorGebruikerOpgegevenArgumenten moeten met een spatie van elkaar worden gescheiden. Voor Afdrukbeheer en door de gebruiker gedefinieerde parameters geldt een limiet van 2048 tekens.

Voor servermeldingen zijn de argumenten: DoorGebruikerOpgegevenArgumenten Serverstatus Servernaam. U kunt bijvoorbeeld automatisch een script uitvoeren waarmee een externe spooler opnieuw wordt gestart, wanneer de service offline gaat.

Scripts kunnen worden geschreven in Visual Basic Script (.vbs) of elke andere scripttaal die beschikbaar is op de computer. Het script moet zich bevinden op de computer met Afdrukbeheer. Het script moet worden uitgevoerd met uw referenties en u moet gemachtigd zijn om alles te doen wat u het script wilt laten doen.

Een voorbeeld van een opdracht die u in een script kunt gebruiken, is het starten van een externe afdrukspooler: sc \\%2 spooler starten

Serverkennisgevingen instellen

U kunt niet alleen kennisgevingen instellen voor een aangepaste set printers, maar ook voor afdrukserverobjecten. Als de server bijvoorbeeld offline is of de spooler wordt uitgeschakeld, kan er een kennisgeving per e-mail worden verzonden. Klik hiervoor met de rechtermuisknop op een afdrukserverobject, klik op Melding en voer vervolgens stap 2 en 3 uit voor het instellen van kennisgevingen per e-mail.

Uitgebreide functies voor uw printer weergeven

In Afdrukbeheer (Printmanagement.msc) ziet u een uitgebreide weergave onder de kolommen in het rechterdeelvenster, gescheiden door een splitsbalk. De uitgebreide weergave is met name handig wanneer u meer informatie wilt hebben over de status van een afdruktaak, het aantal pagina's, de grootte van de taak, het tijdstip waarop de taak is verzonden, de poort, de prioriteit en andere geavanceerde taakeigenschappen.

Wanneer de printer een standaard-TCP/IP-poort gebruikt, wordt in de uitgebreide weergave ook het tabblad Webpagina van printer weergegeven. Wanneer de printer een webpagina ondersteunt, bevat de uitgebreide-weergavepagina details over de fysieke eigenschappen van de printer en specificaties, en is extern beheer soms toegestaan.

Uitgebreide weergave weergeven
  1. Open de map Systeembeheer en dubbelklik vervolgens op Afdrukbeheer.

  2. Klik in de structuur van Afdrukbeheer onder een willekeurige afdrukserver met de rechtermuisknop op Printers en klik vervolgens op Uitgebreide weergave.

    noteNote
    Selecteer een printer om de kolommen in de uitgebreide weergave weer te geven of te verbergen. Klik op het tabblad Taken met de rechtermuisknop op de kolomkop en klik vervolgens op de naam van de kolom die u wilt weergeven of verbergen.

noteNote
Sommige printers zijn voorzien van webpagina's die u kunt gebruiken om toegang te krijgen tot aanvullende functies. Wegens de communicatie met deze webpagina's, kunnen er in Internet Explorer met tussenpozen waarschuwingsberichten worden weergegeven. Er zijn twee manieren om deze berichten te voorkomen. De ene methode is dat u de website van elke printer toevoegt aan de lijst met vertrouwde websites in Internet Explorer. De andere methode is dat u de optie Verbeterde beveiliging van in Internet Explorer uitschakelt met behulp van Windows-onderdelen toevoegen of verwijderen. Zie Managing Internet Explorer Enhanced Security Configuration op de Microsoft-website (http://go.microsoft.com/fwlink?LinkId=28735) voor meer informatie over hoe deze optie van invloed is op de beveiliging van uw server. (Deze pagina is mogelijk Engelstalig)

Aanvullende bronnen

Raadpleeg de volgende bronnen op de Microsoft-website voor meer informatie over Afdrukbeheer:

Vindt u dit nuttig?
(1500 tekens resterend)
Bedankt voor uw feedback

Community-inhoud

Toevoegen
Weergeven:
© 2014 Microsoft