Exporteren (0) Afdrukken
Alles uitvouwen

Omgevingsvariabelen instellen

Omgevingsvariabelen instellen

Omgevingsvariabelen zijn tekenreeksen die informatie bevatten, zoals een station, pad of bestandsnaam. Deze variabelen besturen het gedrag van verschillende programma's. De omgevingsvariabele TEMP geeft bijvoorbeeld de map aan waarin tijdelijke bestanden worden opgeslagen.

Elke gebruiker kan een gebruikersomgevingsvariabele toevoegen, verwijderen of wijzigen. Een systeemomgevingsvariabele kan echter alleen door een Administrator worden toegevoegd, verwijderd of gewijzigd.

Via het onderdeel Systeem van het Configuratiescherm kunt u de volgende variabelen aanpassen:

  • Gebruikersomgevingsvariabelen voor aangemelde_gebruikersnaam
    De gebruikersomgevingsvariabelen zijn verschillend voor elke gebruiker van een bepaalde computer. Sommige van de variabelen zijn ingesteld door de gebruiker, andere door programma's, zoals het pad naar de locatie van de programmabestanden.
  • Systeemomgevingsvariabelen
    Administrators kunnen omgevingsvariabelen toevoegen of wijzigen die betrekking hebben op het systeem, en dus op alle systeemgebruikers. Tijdens de installatie configureert Windows Setup de standaardsysteemvariabelen, zoals het aantal processors en de locatie van de tijdelijke bestanden.

Waarschuwing

  • Voeg geen mappen toe aan de systeemvariabele Path tenzij u zeker weet dat deze veilig zijn. Een kwaadwillende gebruiker kan een paard van Troje of een ander schadelijk programma in die map plaatsen. Als een dergelijk bestand wordt uitgevoerd door Windows, kan het gevoelige gegevens in gevaar brengen of gegevensverlies of gedeeltelijke of volledige uitval van het systeem veroorzaken.

Zie ook

Vindt u dit nuttig?
(1500 tekens resterend)
Bedankt voor uw feedback

Community-inhoud

Weergeven:
© 2014 Microsoft