Exporteren (0) Afdrukken
Alles uitvouwen

Uw server beheren

Bijgewerkt: mei 2008

Van toepassing op: Windows Server 2008, Windows Server 2008 R2

Deze sectie bevat procedures voor de taken die in de volgende tabel worden opgesomd en beschreven.

 

Type Procedure

Algemene taken

  • De Windows Deployment Services configureren

  • De server starten en stoppen

  • De server inschakelen

  • Logboekregistratie inschakelen voor clientacties van Windows Deployment Services

  • Het poortnummer selecteren voor RPC

  • De netwerkinterfaces opgeven waarnaar de PXE-provider moet luisteren

  • Configureren hoe vaak de serverinstellingen worden ververst

  • De server dwingen om bestanden bij te werken in de map RemoteInstall

  • Het netwerkprofiel voor de server configureren

  • Een back-up maken van de servergegegevens

DHCP

  • Windows Deployment Services configureren om op dezelfde computer te worden uitgevoerd als Microsoft DHCP

  • Windows Deployment Services configureren om op dezelfde computer te worden uitgevoerd als niet-Microsoft DHCP

  • De verificatievereiste inschakelen op DHCP

  • De server autoriseren in DHCP

Clientaanvragen

  • De server configureren om clients te beantwoorden

  • Een vertraging instellen in de antwoorden van de server op PXE-aanvragen

  • Onbekende clients configureren om op te starten via PXE zonder F12

  • Clients die zijn opgestart zonder F12 configureren om te vragen om het indrukken van een toets als ze opnieuw worden opgestart

  • De server configureren om de architectuur te bepalen van de clients die worden opgestart

Netwerkopstartprogramma en opstartkopie

  • Kiezen welke opstartkopieën worden weergegeven op x64-computers

  • Het standaardnetwerkopstartprogramma kiezen voor elke architectuur

  • Het standaardnetwerkopstartprogramma kiezen dat geen F12 vereist voor elke architectuur

  • De standaardopstartkopie kiezen voor elke architectuur

De installatie van clients voorbereiden

  • Een domeincontroller opgeven voor de PXE-provider

  • Een globale-catalogusserver opgeven voor de PXE-provider

  • Kiezen of de server eerst in de domeincontroller naar computeraccounts moet zoeken en pas daarna in de globale catalogus

  • De server configureren om clients op de installatie voor te bereiden door het MAC-adres van de clients te gebruiken in plaats van de GUID

  • Een lijst met GUID's bijhouden die bij meerdere computers horen

  • Opgeven hoe computernamen moeten worden gegenereerd

  • Het domein en de organisatie-eenheid (OU) opgeven waarbinnen de clientaccounts moeten worden gemaakt

  • Kiezen of clientcomputers moeten worden toegevoegd aan het domein

Bestand voor installatie zonder toezicht

  • Een standaardbestand voor installatie zonder toezicht kiezen voor de Windows Deployment Services-client

  • Opgeven of een bestand voor installatie zonder toezicht op de clientcomputer voorrang mag krijgen op het standaardbestand voor installatie zonder toezicht

CautionCaution
U mag de registerinstellingen die in deze handleiding worden beschreven alleen wijzigen met de beheerprogramma's van Windows Deployment Services. U mag deze instellingen en kenmerken niet rechtstreeks bewerken.

noteNote
U kunt een Windows Deployment Services-server met Windows Server 2008 niet beheren vanaf een Windows Deployment Services-server met Windows Server 2003.

noteNote
U kunt Help-informatie voor WDSUTIL opvragen door WDSUTIL /? te typen op de opdrachtregel. De help is ook te raadplegen op Wdsutil.

Algemene taken

De Windows Deployment Services configureren

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Windows Deployment Services installeren. Zie voor meer informatie de Stapsgewijze handleiding voor Windows Deployment Services in Windows Server 2008.

  2. Klik op Start, klik op Systeembeheer en klik vervolgens op Windows Deployment Services.

  3. Klik in het linkerdeelvenster van de module Windows Deployment Services met de rechtermuisknop op de server en klik daarna op Server configureren.

  4. Volg de aanwijzingen in de wizard.

  1. Windows Deployment Services installeren. Zie voor meer informatie de Stapsgewijze handleiding voor Windows Deployment Services in Windows Server 2008.

  2. Open een opdrachtpromptvenster met beheerdersmachtigingen en voer WDSUTIL /Verbose /Progress /Initialize-Server /RemInst:<pad> uit, waar <pad> het pad is waar de map RemoteInstall moet worden geplaatst.

De bovenstaande procedure heeft het volgende effect:

  1. De mapstructuur voor RemoteInstall wordt gemaakt.

  2. De map RemoteInstall wordt gemaakt met de volgende standaardmachtigingen:

    • Geverifieerde gebruikers = Lezen en uitvoeren

    • System = Volledig beheer

    • Administrators = Volledig beheer

    • WDSServer-service = Volledig beheer

  3. De serverbestanden (opstartbestanden) worden vanuit de map \system32\reminst (die is gemaakt tijdens de installatie van de componenten) geïnstalleerd in de nieuwe mapstructuur.

  4. De serverparameters worden bijgewerkt.

  5. De hoofdmap van TFTP (Trivial File Transfer Protocol) wordt ingesteld om te verwijzen naar de hoofdmap van de map RemoteInstall.

  6. Het opstarttype van WDSServer-service wordt op Auto gezet.

  7. De server in DHCP (Dynamic Host Control Protocol) wordt optioneel gemachtigd.

  8. De services worden opgestart.

De server starten en stoppen

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Alle taken.

  2. Klik op Server stoppen of Server starten.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Start-Server of WDSUTIL /Stop-Server uit.

Met de bovenstaande procedure start of stopt u de WDSServer-service.

De server inschakelen

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Enable-Server uit.

Met de bovenstaande procedure start of stopt u de WDSServer-service.

Logboekregistratie inschakelen voor clientacties van Windows Deployment Services

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /WDSClientLogging /Enabled:Yes uit om logboekregistratie in te schakelen.

  3. Als u wilt wijzigen welke gebeurtenissen worden gelogd, voert u WDSUTIL /Set-Server /WDSClientLogging /LoggingLevel:{None|Errors|Warnings|Info} uit (elke categorie bevat alle gebeurtenissen uit de vorige categorieën).

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WdsImgSrv\ClientLogging\Enabled op 1.

Het niveau wordt opgeslagen op HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WdsImgSrv\ClientLogging\LogLevel, waar 0 is Geen; 1 is Alleen fouten; 2 is Fouten en waarschuwingen; en 3 is Fouten, waarschuwingen en informatie.

Het poortnummer kiezen voor RPC's

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /RPCPort:X uit, waar X het RPC-poortnummer is dat u wilt gebruiken.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Parameters\RpcPort op de opgegeven waarde.

noteNote
Als deze RPC-poort (Remote Procedure Call) wordt gewijzigd van de standaardwaarde naar een andere waarde, moet u een firewalluitzondering toevoegen voor de nieuwe RPC-poort.

De netwerkinterfaces opgeven waarnaar de PXE-provider moet luisteren

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    • Als u een interface wilt toevoegen aan de lijst, voert u WDSUTIL /Set-Server /BindPolicy /Add /Address:<IP- of MAC-adres> /AddressType:{IP|MAC} uit.

    • Als u alleen een binding wilt maken met de interfaces op de lijst, voert u WDSUTIL /Set-Server /BindPolicy /Policy:Include uit.

    • Als u een binding wilt maken met alle interfaces behalve die op de lijst, voert u WDSUTIL /Set-Server /BindPolicy /Policy:Include uit.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\BindPolicy op 0 als de lijst moet worden uitgesloten en op 1 als de lijst moet worden ingesloten (en alle andere interfaces uitgesloten).

De lijst wordt opgeslagen in de volgende sleutel: HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\BindInterfaces (adressen worden opgeslagen als MAC=XXXXXXXXXXXX of IP=10.10.2.2)

Configureren hoe vaak de serverinstellingen worden ververst

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /RefreshPeriod:<tijd in seconden> uit.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Parameters\UpdateTime op de opgegeven waarde.

De server dwingen om bestanden bij te werken in de map RemoteInstall

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Update-ServerFiles uit.

Het netwerkprofiel voor de server configureren

 

De MMC-console gebruiken

WDSUTIL gebruiken

  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Selecteer op het tabblad Netwerkinstellingen onder Netwerkpofiel de optie waarin de netwerksnelheid van uw organisatie wordt weergegeven.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server [/Server:<naam>] /Transport /Profile:{10Mbps|100Mbps|1Gbps|Custom} uit.

Selecteer Aangepast als u de instellingen wilt aanpassen door de volgende registersleutel te bewerken:

HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\Multicast\Profiles\Custom

ImportantImportant
Wijzig de overige profielen niet. Maak in plaats daarvan een aangepast profiel, zelfs als u maar één instelling wilt wijzigen.

Een back-up maken van de servergegegevens

Als u een back-up wilt maken van uw hele server, moet u back-ups maken van de volgende twee gegevenssets:

  • Kopieën die zijn opgeslagen in de map \RemoteInstall. Als u back-ups wilt maken van kopieën, moet u regelmatig back-ups uitvoeren van de map \RemoteInstall. U kunt de inhoud vanuit deze back-ups herstellen zonder bijzondere kwalificaties. Dit gaat alleen niet op als uw server RIS-kopieën (Remote Installation Services) bevat die zijn gescand op dubbele bestanden ('groveled') door SIS (Single Instance Storage). Raadpleeg artikel 263027 in de Microsoft Knowledge Base (http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=81026) voor meer informatie over het herstellen van een volume dat wordt beheerd door SIS.

  • Instellingen die doorgaans worden opgeslagen in het serverregister. Als u een back-up wilt maken van deze instellingen, raden we u aan om regelmatig back-ups uit te voeren met de Volume Shadow Copy Service van Microsoft (http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=105509). U kunt ook regelmatig de configuratie-instellingen van de server archiveren door de opdracht WDSUTIL /get-server /show:config uit te voeren. Als u de instellingen moet herstellen, moet u de instellingen echter handmatig opnieuw configureren met WDSUTIL.

DHCP

Windows Deployment Services configureren om op dezelfde computer te worden uitgevoerd als Microsoft DHCP

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Selecteer op het tabblad DHCPNiet luisteren op poort 67 en DHCP-optie 60 configureren naar 'PXEClient'.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /UseDHCPPorts:No /DHCPOption60:Yes uit.

De bovenstaande procedure heeft het volgende effect:

  • HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Parameters\UseDhcpPorts wordt op 0 gezet.

  • De optie 60 'PXEClient' wordt toegevoegd aan al uw DHCP-scopes.

Windows Deployment Services configureren om op dezelfde computer te worden uitgevoerd als niet-Microsoft DHCP

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Selecteer Niet luisteren op poort 67 op het tabblad DHCP.

  3. Zet optie 60 op 'PXEClient' met de hulpprogramma's voor DHCP Server.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /UseDHCPPorts:No uit.

  3. Zet optie 60 op 'PXEClient' met de hulpprogramma's voor DHCP Server.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Parameters\UseDhcpPorts op 0.

De verificatievereiste inschakelen op DHCP

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Selecteer Yes, Windows Deployment Server should be authorized in DHCP before servicing clients op het tabblad Geavanceerd.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /RogueDetection:Yes uit.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\WDSServer\Providers\WDSPXE\DisableRogueDetection op 0.

De server autoriseren in DHCP

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Selecteer Authorize the Windows Deployment Server in DHCP op het tabblad Geavanceerd.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /Authorize:Yes uit.

Met de bovenstaande procedure maakt u een vermelding aan voor DHCP-machtiging onder het object CN=NetServices, CN=Services, CN=Configuration, DC=Domain, DC=com in AD DS. Hiervoor zijn machtigingen nodig op ondernemingsadministrator-niveau in de MMC-module DHCP.

Clientaanvragen

De server configureren om clients te beantwoorden

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Ga op het tabblad Instellingen PXE-reactie op een van de volgende manieren te werk:

    • Als u wilt reageren op alle PXE-aanvragen van clients, selecteert u Reageren op alle (bekende en onbekende) clientcomputers.

    • Als u alleen wilt reageren op PXE-aanvragen van clients waarvan de installatie is voorbereid, selecteert u Alleen reageren op bekende clientcomputers.

    • Als u helemaal niet wilt reageren op PXE-aanvragen van clients, selecteert u Niet reageren op clientcomputers.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Ga op een van de volgende manieren te werk:

  • Als u wilt reageren op alle PXE-aanvragen van clients, voert u WDSUTIL /Set-Server /AnswerClients:All uit.

  • Als u alleen wilt reageren op PXE-aanvragen van clients waarvan de installatie is voorbereid, voert u WDSUTIL /Set-Server /AnswerClients:Known uit.

  • Als helemaal niet wilt reageren op PXE-aanvragen van clients, voert u WDSUTIL /Set-Server /AnswerClients:None uit.

De bovenstaande procedure heeft het volgende effect:

  • Als u het selectievakje Reageren op alle (bekende en onbekende) clientcomputers hebt geselecteerd, wordt het kenmerk netbootAnswerRequests DS op TRUE en het kenmerk netbootAnswerOnlyValidClients DS op FALSE gezet.

  • Als u het selectievakje Alleen reageren op bekende clientcomputers hebt geselecteerd, worden beide kenmerken op TRUE gezet.

  • Als u het selectievakje Niet reageren op clientcomputers hebt geselecteerd, worden beide kenmerken op FALSE gezet.

Een vertraging instellen in de antwoorden van de server op PXE-aanvragen

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Stel op het tabblad Instellingen PXE-reactie de PXE-antwoordvertraging in.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /ResponseDelay:X uit, waar X het aantal seconden is dat de server moet wachten voordat deze reageert op clients.

Met de bovenstaande procedure zet u de waarde van HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\ResponseDelay op de opgegeven tijd.

Onbekende clients configureren om op te starten via PXE zonder F12

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /AllowN12ForNewClients:Yes uit.

Met de bovenstaande procedure zet u de waarde van HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\AllowN12ForNewClients op 1.

Clients die zijn opgestart zonder F12 configureren om te vragen om het indrukken van een toets als ze opnieuw worden opgestart

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /ResetBootProgram:Yes uit.

Met de bovenstaande procedure zet u de waarde van HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\ResetBootProgram op 1.

De server configureren om de architectuur te bepalen van de clients die worden opgestart

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /ArchitectureDiscovery:Yes uit.

Met de bovenstaande procedure zet u de waarde van HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\DisableArchDisc op 0.

Opstartprogramma en opstartkopie

Kiezen welke opstartkopieën worden weergegeven op x64-computers

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

n.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /DefaultX86X64ImageType:<x86|x64|beide> uit.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\x86x64DefaultImageType op 1 voor uitsluitend x86-computers, op 2 voor uitsluitend x64-computers, en op 0 voor beide soorten computers.

Het standaardnetwerkopstartprogramma kiezen voor elke architectuur

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Geef op het tabblad Opstarten het pad op naar het opstartbestand dat u voor elke architectuur wilt gebruiken.

    noteNote
    In de meeste gevallen moet u de standaardopstartkopie gebruiken die deel uitmaakt van de Windows Server 2008-media (opgeslagen op \Sources\boot.wim) zonder deze te wijzigen. Gebruik niet de Boot.win van de Windows Vista-media tenzij bij uw Windows Vista-versie SP1 is geïntegreerd op de dvd.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /BootProgram:<pad>/Architecture:{x86|x64|ia64} uit, waar <pad> het pad is ten opzichte van de map RemoteInstall.

Met de voorafgaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\BootPrograms\<arch>\Default op het opgegeven pad.

Het standaardnetwerkopstartprogramma kiezen dat geen F12 vereist voor elke architectuur

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

N.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /N12BootProgram:<pad> /Architecture:{x86|x64|ia64} uit, waar <pad> het pad is ten opzichte van de map RemoteInstall.

Met de voorafgaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\BootPrograms\<arch>\N12 op het opgegeven pad.

De standaardopstartkopie kiezen voor elke architectuur

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Geef op het tabblad Opstarten het pad op naar de opstartkopie die u voor elke architectuur wilt gebruiken.

    ImportantImportant
    U hebt het bestand Boot.wim nodig uit de Windows Server 2008-media (opgeslagen in de map \Sources). Het bestand Boot.wim in Windows Vista werkt niet in combinatie met multicast-overdrachten. Als u een Windows Vista-bestand gebruikt, kunt u een overdracht maken, maar gebruikers die met deze kopie de computer opstarten krijgen geen toegang tot de overdracht.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /BootImage:<pad> /Architecture:{x86|x64|ia64} uit, waar <pad> het pad is ten opzichte van de map RemoteInstall.

Met de voorafgaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\BootImages\<arch>\BootImagePath op het opgegeven pad.

De installatie van clients voorbereiden

Een domeincontroller opgeven voor de PXE-provider

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Klik op het tabblad Geavanceerd op Windows Deployment Services alleen de opgegeven servers laten gebruiken: en voer vervolgens de naam van de domeincontroller in.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /PreferredDC:<naam> uit, waar <naam> een NetBIOS-naam of een volledig gekwalificeerde domeinnaam is (FQDN).

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\DefaultServer op de opgegeven naam.

Een globale-catalogusserver opgeven voor de PXE-provider

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Klik op het tabblad Geavanceerd op Windows Deployment Services alleen de opgegeven servers laten gebruiken: en voer vervolgens de naam van de domeincontroller in.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /PreferredGC:<naam> uit, waar <naam> een NetBIOS-naam of een FQDN is.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\DefaultGCServer op de opgegeven naam.

Kiezen of de server eerst in de domeincontroller naar computeraccounts moet zoeken en pas daarna in de globale catalogus

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

N.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    • Voer WDSUTIL /Set-Server /DomainSearchOrder:DCFirst uit om te zoeken in de domeincontroller voordat u op de globale-catalogusserver zoekt.

    • Als u alleen op de globale-catalogusserver wilt zoeken, voert u WDSUTIL /Set-Server /DomainSearchOrder:GCOnly uit.

In de bovenstaande procedure:

  • zet DCFirstHKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\ADSearchOrder op 1

  • zet GCOnlyHKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\ADSearchOrder op 0.

De server configureren om clients op de installatie voor te bereiden door het MAC-adres van de clients te gebruiken in plaats van de GUID

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

N.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /PrestageUsingMAC:Yes uit.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\ClientIdUse op 1.

Een lijst met GUID's bijhouden die bij meerdere computers horen

De lijst van geweerde GUID's wordt opgeslagen op HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE.

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

N.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    • Als u een GUID aan de lijst wilt toevoegen, voert u WDSUTIL /Set-Server /BannedGUIDPolicy /Add /GUID:<GUID> uit.

    • Als u een GUID van de lijst wilt verwijderen, voert u WDSUTIL /Set-Server /BannedGUIDPolicy /Remove /GUID:<GUID> uit.

      noteNote
      De GUID-tekenreeks moet worden opgegeven zonder haken of streepjes (zoals weergegeven tijdens opstarten via PXE).

Opgeven hoe computernamen moeten worden gegenereerd

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Geef op het tabblad Directory Services het naamgevingsbeleid op in het daarvoor bestemde veld.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /NewMachineNamingPolicy:<Policy> uit.

De beleidstekenreeks werkt als volgt:

  • %First: de voornaam van de gebruiker.

  • %Last: de achternaam van de gebruiker.

  • %Username: de gebruikersnaam van de gebruiker.

  • %MAC: het MAC-adres van de computer.

  • %n#: een incrementeel nummer van n cijfers. %2# voegt bijvoorbeeld een incrementeel nummer uit de volgende reeks toe aan de computernaam: 1,2,3,…99.

  • %0n#: een incrementeel nummer van n cijfers, waarbij een nul wordt toegevoegd voor het eerste cijfer. %02# voegt bijvoorbeeld een incrementeel nummer uit de volgende reeks toe aan de computernaam: 01,02,03,…99.

Beide kunnen worden gecombineerd in elke gewenste volgorde. Een nummer vóór een tagtekenreeks (zoals %3First of %5Username) kapt de tekenreeks op de betreffende lengte af. Bijvoorbeeld:

  • %61Username%# is gelijk aan JohnSmi12

  • %2first.%last is gelijk aan Jo.Smith

Met de voorgaande procedure zet u het attribuut netbootNewMachineNamingPolicy DS op het opgegeven beleid.

Het domein en de organisatie-eenheid opgeven waarbinnen de clientaccounts moeten worden gemaakt

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Klik op het tabblad Directory Services op Standaardlocatie van Active Directory of geef het domein en de organisatie-eenheid (OU) op.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    • Voer WDSUTIL /Set-Server /NewMachineOU /Type:ServerDomain uit om nieuwe accounts te maken in de standaardcomputer-OU in het domein waarin de Windows Deployment Services-server zich bevindt.

    • Voer WDSUTIL /Set-Server /NewMachineOU /Type:UserDomain uit om nieuwe accounts te maken in de standaardcomputer-OU in het domein waarin de opgegeven gebruikersaccount zich bevindt.

    • Voer WDSUTIL /Set-Server /NewMachineOU /Type:UserOU uit om nieuwe accounts te maken in dezelfde OU als die waarin de opgegeven gebruikersaccount zich bevindt.

    • Voer WDSUTIL /Set-Server /NewMachineOU /Type:Custom /OU:<name of OU> uit om nieuwe accounts te maken in een andere OU.

De bovenstaande procedure heeft het volgende effect:

  • Het attribuut netbootNewMachineOU op het servicebesturingspunt (SCP, Service Control Point) voor de Windows Deployment Services-server wordt op de DN-naam (Distinguished Name) van de server gezet

  • De registersleutel NewMachineOUType wordt op 1 gezet

  • De registersleutel NewMachineOUType wordt op 0 gezet

  • Het attribuut netbootNewMachineOU op het servicebesturingspunt voor de Windows Deployment Services-server wordt op de opgegeven DN-naam gezet

Kiezen of clientcomputers moeten worden toegevoegd aan het domein

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Schakel op het tabblad Client het selectievakje Do not create account in Active Directory after running the WDS Client uit om de computers aan het domein toe te voegen.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Als u nieuwe computers aan het domein toe wilt voegen, voert u WDSUTIL /Set-Server /NewMachineDomainJoin:Yes uit.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WDSPXE\Providers\BINLSVC\NewMachineDomainJoin op 1.

Bestand voor installatie zonder toezicht

Een standaardbestand voor installatie zonder toezicht kiezen voor de Windows Deployment Services-client

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken
  1. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Eigenschappen.

  2. Schakel op het tabblad Client het selectievakje Enable client unattend in en kies vervolgens een bestand voor installatie zonder toezicht voor de relevante architectuur.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Voer WDSUTIL /Set-Server /WDSUnattend /Policy:Enabled /File:<pad> /Architecture:{x86|x64|ia64} uit om installatie zonder toezicht in te schakelen en het bestand voor installatie zonder toezicht op te geven.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WdsImgSrv\Unattend\Enabled op 1 en HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WdsImgSrv\Unattend\<arch>\FilePath op het opgegeven pad.

Opgeven of een bestand voor installatie zonder toezicht op de clientcomputer voorrang krijgt op het standaardbestand voor installatie zonder toezicht

 

De MMC-console gebruiken WDSUTIL gebruiken

N.v.t.

  1. Open een opdrachtprompt met beheerdersmachtigingen.

  2. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    • Voer WDSUTIL /Set-Server /WDSUnattend /CommandLinePrecedence:Yes uit om toe te staan dat een bestand voor installatie zonder toezicht op de clientcomputer voorrang krijgt op een bestand voor installatie zonder toezicht dat wordt verstuurd vanaf de server voor de Windows Deployment Services-client.

    • Als u wilt afdwingen dat het bestand voor installatie zonder toezicht dat wordt verstuurd vanaf de server wordt gebruikt voor de Windows Deployment Services-client, voert u WDSUTIL /Set-server /WDSUnattend /CommandLinePrecedence:No uit.

Met de bovenstaande procedure zet u HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\WDSServer\Providers\WdsImgSrv\Unattend\CommandLineUnattendPrecedence op 1 of 0.

Vindt u dit nuttig?
(1500 tekens resterend)
Bedankt voor uw feedback

Community-inhoud

Toevoegen
Weergeven:
© 2014 Microsoft