Exporteren (0) Afdrukken
Alles uitvouwen
4 van 6 hebben dit beoordeeld als nuttig - Dit onderwerp beoordelen

Stapsgewijze handleiding voor Windows Deployment Services in Windows Server 2008

Bijgewerkt: april 2009

Van toepassing op: Windows Server 2008, Windows Server 2008 R2

Deze handleiding bevat stapsgewijze richtlijnen voor het gebruik van de functie Windows® Deployment Services in Windows Server® 2008. Deze handleiding heeft geen betrekking op de Windows Deployment Services-update voor Windows Server 2003. Zie http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=66145 voor meer informatie over de update.

Als u deze handleiding in DOC-indeling wilt downloaden, gaat u naar http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=89381.

Als u feedback over deze handleiding wilt geven, kunt u een e-mail sturen naar wdsdoc@microsoft.com.

noteNote
Deze handleiding behandelt de functionaliteit van de volledige installatie van Windows Deployment Services (de functieservice Implementatieserver). Zie De functieservice Transportserver gebruiken verderop in deze handleiding voor meer informatie over de functieservice Transportserver.

In deze handleiding

Wat is Windows Deployment Services?

De functie Windows Deployment Services in Windows Server 2008 is de bijgewerkte en herziene versie van RIS (Remote Installation Services). Met Windows Deployment Services kunt u Windows-besturingssystemen installeren, met name Windows Vista® en Windows Server 2008. U kunt nieuwe computers configureren via een netwerkinstallatie. Dit betekent dat u het besturingssysteem niet persoonlijk op elke computer of rechtstreeks vanaf cd of dvd hoeft te installeren. De onderdelen van Windows Deployment Services kunnen worden onderverdeeld in de drie volgende categorieën:

  • Serveronderdelen. Tot deze onderdelen behoren een PXE-server (Pre-Boot Execution Environment) en een TFTP-server (Trivial File Transfer Protocol). Hiermee kan een client via het netwerk worden opgestart zodat er een besturingssysteem kan worden geladen en geïnstalleerd. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van een gedeelde map en opslaglocatie voor installatiekopieën, die opstartkopieën, installatiekopieën en bestanden specifiek voor opstarten via het netwerk bevatten. Verder wordt gebruikgemaakt van een netwerklaag, een multicast-onderdeel en een diagnoseonderdeel.

  • Clientonderdelen . Tot deze onderdelen behoren een grafische gebruikersinterface die binnen Windows PE (Windows Pre-Installation Environment) wordt uitgevoerd. Als een gebruiker een installatiekopie van een besturingssysteem selecteert, wordt via de clientonderdelen aan de serveronderdelen doorgegeven dat de installatiekopie moet worden geïnstalleerd.

  • Beheeronderdelen. Deze onderdelen omvatten een verzameling hulpprogramma's waarmee u de server, installatiekopieën van het besturingssysteem en de accounts van clientcomputers kunt beheren.

Wat is nieuw in Windows Deployment Services?

De RIS-onderdelen zijn in Windows Deployment Services voor Windows Server 2008 op diverse punten gewijzigd. Ook de onderdelen van Windows Deployment Services die u op computers met Windows Server 2003 kunt installeren, zijn op bepaalde punten gewijzigd.

 

Wijzigingen ten opzichte van RIS Wijzigingen ten opzichte van Windows Deployment Services op Windows Server 2003
  • De mogelijkheid Windows Vista en Windows Server 2008 te installeren.

  • Windows PE is het besturingssysteem waarmee wordt opgestart.

  • Installatie op basis van installatiekopieën met behulp van Windows image-bestanden (WIM-bestanden).

  • De mogelijkheid gegevens en installatiekopieën over te brengen met behulp van multicast-functionaliteit.

  • De mogelijkheid gegevens en installatiekopieën over te brengen waarbij gebruik wordt gemaakt van multicast-functionaliteit op een zelfstandige server (als u Transportserver installeert).

  • Een krachtiger PXE-serveronderdeel dat kan worden uitgebreid.

  • Een nieuwe indeling van het opstartmenu voor het selecteren van besturingssystemen.

  • Een nieuwe grafische gebruikersinterface waarmee u installatiekopieën kunt selecteren en installeren, en Windows Deployment Services-servers en -clients kunt beheren.

  • De mogelijkheid gegevens en installatiekopieën over te brengen met behulp van multicast-functionaliteit.

  • De mogelijkheid gegevens en installatiekopieën over te brengen waarbij gebruik wordt gemaakt van multicast-functionaliteit op een zelfstandige server (als u Transportserver installeert).

  • Geen ondersteuning voor RISETUP-installatiekopieën of OSChooser-schermen.

  • Een verbeterde TFTP-server.

  • Ondersteuning voor opstarten via het netwerk van x64-computers met EFI-interface (Extensible Firmware Interface).

  • Rapportage van installatiestatistieken.

Voor wie is deze handleiding bedoeld?

Windows Deployment Services is bestemd voor implementatiespecialisten die in een bedrijf verantwoordelijk zijn voor de implementatie van Windows-besturingssystemen. In deze handleiding wordt voorondersteld dat u redelijke kennis hebt van gebruikelijke technologieën voor implementatie van desktopcomputers en van netwerkonderdelen zoals DHCP (Dynamic Host Configuration Protocol), DNS (Domain Name System) en AD DS (Active Directory® Domain Services). De doelgroepen zijn:

  • IT-planners of -analisten die Windows Vista of Windows Server 2008 evalueren

  • Planners en ontwerpers van informatietechnologie binnen bedrijven.

  • Implementatiespecialisten die installatiekopieën naar computers willen distribueren waarop nog geen besturingssysteem is geïnstalleerd

Voordelen van Windows Deployment Services

Windows Deployment Services biedt de volgende voordelen bij de installatie en implementatie:

  • Brengt de complexiteit van installaties terug en verlaagt de kosten die het gevolg zijn van inefficiënte handmatige installatieprocessen.

  • Installatie van Windows-besturingssystemen, zoals Windows Vista en Windows Server 2008, via het netwerk.

  • Installatie van Windows-installatiekopieën op computers zonder besturingssysteem.

  • Ondersteuning voor gemengde omgevingen met Windows Vista, Windows Server 2008, Microsoft Windows XP en Microsoft Windows Server 2003.

  • Een complete oplossing voor de installatie van Windows-besturingssystemen op clientcomputers en servers.

  • Gebaseerd op standaardinstallatietechnologieën voor Windows Server 2008, zoals Windows PE, WIM-bestanden (.wim), en installatie op basis van installatiekopieën.

Een upgrade uitvoeren van een server waarop RIS wordt uitgevoerd op Windows Server 2003 SP1 of SP2

Er zijn twee methoden voor het verplaatsen van een bestaande RIS-infrastructuur naar Windows Deployment Services. Deze sectie behandelt methode 1.

 

Methode 1: Voer een upgrade uit van de RIS-servers. Methode 2: Installeer Windows Deployment Services op nieuwe servers.

Bij deze methode installeert u Windows Deployment Services op uw bestaande RIS-servers. De drie servermodi en de mogelijkheid RIPREP-installatiekopieën te converteren laten u moeiteloos overstappen van RIS op Windows Deployment Services. Dit is de aanbevolen methode om de RIS-infrastructuur te verplaatsen naar Windows Deployment Services.

Bij deze methode installeert u Windows Deployment Services op nieuwe servers in uw omgeving terwijl u de bestaande RIS-servers blijft onderhouden. Uiteindelijk, nadat de overstap naar Windows Deployment Services is voltooid, worden de RIS-servers buiten gebruik gesteld. Deze methode wordt niet aanbevolen omdat er aanvullende hardware en extra administratieve taken nodig zijn.

  • Hardware. Elke nieuwe instantie van Windows Deployment Services wordt onafhankelijk van RIS op een server uitgevoerd.

  • Administratieve overhead. Als u twee PXE-servers in hetzelfde netwerksegment heeft die verschillend zijn geconfigureerd kan dit onverwachte gevolgen hebben. Dit scenario kunt u voorspelbaar maken door elke computer voor te bereiden en op te geven of de client wel of niet moet worden beantwoord door de Windows Deployment Services-server of de RIS-server.

Er zijn drie werkingsmodi voor Windows Deployment Services in Windows Server 2003: Verouderd, Gemengd en Native. Uw server moet in de modus Native staan om de upgrade naar Windows Server 2008 te kunnen uitvoeren. Uw upgrade wordt geblokkeerd als RIS is geconfigureerd of als uw server zich in de oude of gemengde modus bevindt. Als u wilt vaststellen in welke werkingsmodus de server zich momenteel bevindt, voert u de opdracht WDSUTIL /get-server /show:config uit.

Bedenk met name welk van de volgende scenario's op u van toepassing is:

  • Als RIS momenteel op de server wordt uitgevoerd maar u geen installatie hebt van Windows Deployment Services, moet u dit installeren voordat u de upgrade uitvoert. Windows Deployment Services maakt deel uit van Windows AIK en Windows Server 2003 Service Pack 2. Zie de Stapsgewijze handleiding voor de Windows Deployment Services-update voor Windows Server 2003 (http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=94643) voor meer informatie over het installeren en configureren van Windows Deployment Services. Gebruik vervolgens de volgende procedures om over te schakelen van de modus Verouderd (de standaardinstelling) naar de modus Native.

  • Als RIS op de server is geïnstalleerd toen u Windows Deployment Services installeerde, zal de server zich in de modus Verouderd of Gemengd bevinden. U moet dit dan wijzigen in Native voordat u de upgrade kunt uitvoeren.

  • Als RIS niet was geïnstalleerd toen u Windows Deployment Services installeerde, bevindt de server zich in de modus Native en is deze daarom klaar voor de upgrade naar Windows Server 2008.

Gebruik een van de volgende procedures om de servermodus te wijzigen in Verouderd.

De servermodus wijzigen van Verouderd in Gemengd
  1. Initialiseer de server door een van de volgende handelingen uit te voeren:

    • De MMC-module gebruiken. Klik in het menu Start op Systeembeheer en klik vervolgens op Windows Deployment Services. Klik met de rechtermuisknop op de server en selecteer Server initialiseren.

    • WDSUTIL gebruiken Voer de opdracht WDSUTIL /Initialize-Server /RemInst:C:\RemoteInstall uit (aangenomen dat C:\RemoteInstall de locatie is van uw gedeelde map voor REMINST).

  2. Wanneer het proces is voltooid, gebruikt u de volgende procedure om de servermodus te wijzigen van Gemengd in Native.

De servermodus wijzigen van Gemengd in Native
  1. Stel uw RISETUP- en RIPREP-installatiekopieën buiten gebruik of converteer ze naar WIM-indeling. U stelt ze buiten gebruik door ze gewoon te verwijderen. Als u ze wilt converteren, beschikt u over twee opties:

    • Converteer ze offline (alleen voor RIPREP-installatiekopieën). Zie de sectie over het converteren van RIPREP-installatiekopieën in het onderwerp Creating Images. Zie Installatiekopieën beheren voor instructies hoe u dit kunt doen.

    • Implementeer ze en leg ze opnieuw vast door de Wizard Installatiekopie vastleggen te gebruiken (voor RIPREP- of RISETUP-installatiekopieën). Zie Aangepaste installatiekopieën maken verderop in deze handleiding voor meer informatie.

  2. Voer de opdracht WDSUTIL /Set-Server /ForceNative uit.

  3. Wanneer het proces is voltooid, is de server klaar voor de upgrade naar Windows Server 2008.

Windows Deployment Services installeren

Vereisten voor het installeren van Windows Deployment Services

Hieronder volgen de vereisten voor het installeren van deze functie, afhankelijk van of u implementatieserver of transportserver kiest tijdens de installatie.

 

Implementatieserver Transportserver
  • AD DS. Een Windows Deployment Services-server moet ofwel lid zijn van een AD DS-domein of een domeincontroller voor een AD DS-domein zijn. De versies van het AD DS-domein en -forest doen er niet toe. Alle domein- en forest-configuraties ondersteunen Windows Deployment Services.

  • DHCP. U moet een werkende DHCP-server (Dynamic Host Configuration Protocol) hebben met een actieve scope voor het netwerk. Windows Deployment Services werkt namelijk met PXE (Pre-Boot Execution Environment), dat voor het bepalen van IP-adressen gebruikmaakt van DHCP.

  • DNS. U moet beschikken over een werkende DNS-server op het netwerk voordat u Windows Deployment Services kunt uitvoeren.

  • NTFS-volume. De server waarop Windows Deployment Services wordt uitgevoerd, moet een volume met het NTFS-bestandssysteem bevatten voor de opslag van installatiekopieën.

  • Referenties. U kunt deze functie alleen installeren als u lid bent van de lokale groep Administrators op de server. Als u de server wilt initialiseren, moet u lid zijn van de groep Domeingebruikers. Zie het onderwerp Vereiste machtigingen voor meer informatie.

Referenties. Als u de functieservice wilt installeren, moet u lid zijn van de lokale groep Administrators op de server.

Stappen voor het installeren van Windows Deployment Services

U kunt Windows Deployment Services installeren met de wizard Eerste configuratietaken, Serverbeheer of via de opdrachtregel.

  • Als u de functie wilt installeren met behulp van de wizard Eerste configuratietaken, klikt u op Functies toevoegen op het beginscherm van de wizard Eerste configuratietaken. Klik op Volgende en selecteer vervolgens Windows Deployment Services.

  • Als u de functie wilt installeren met behulp van Serverbeheer, klikt u op Functies toevoegen in het venster Functieoverzicht. Klik op Volgende en selecteer vervolgens Windows Deployment Services.

  • Als u de functie wilt installeren met behulp van de opdrachtregel, voert u een van de volgende twee opdrachten uit:

    • Voor de implementatieservervoert u ServerManagerCmd -install WDS uit.

    • Voor Transportserver voert u ServerManagerCmd -install WDS uit.

Tijdens de installatie kunt u uit de volgende twee functieservices kiezen. Zie de grafiek met de vergelijking tussen de implementatieserver en de transportserver in het onderwerp Transportserver gebruiken voor een gedetailleerde vergelijking van deze opties.

  • Transportserver. Als u deze optie wilt installeren, schakelt u het selectievakje Implementatieserver uit op het tweede scherm van de wizard. Deze optie biedt een subset van de functionaliteit van Windows Deployment Services. Alleen de basisnetwerkonderdelen zijn beschikbaar. Met Transportserver kunt u multicast-naamruimten maken voor het overbrengen van gegevens (waaronder installatie- of systeemkopieën van het besturingssysteem) vanaf een zelfstandige server. Gebruik deze optie als u gegevens wilt overbrengen via multicasting, maar niet de volledige functionaliteit van Windows Deployment Services nodig hebt. Zie Transportserver gebruiken voor meer informatie.

  • Implementatieserver. Als u deze optie wilt installeren, zorgt u ervoor dat zowel Implementatieserver als Transportserver op het tweede scherm van de installatiewizard zijn geselecteerd. Deze optie biedt de volledige functionaliteit van Windows Deployment Services, waarmee u Windows-besturingssystemen kunt configureren en op afstand installeren. Met Windows Deployment Services kunt u systeemkopieën maken en aanpassen, die u vervolgens opnieuw op computers kunt installeren. Implementatieserver is afhankelijk van de basisonderdelen van Transportserver.

    noteNote
    Als u Windows Deployment Services op een externe server wilt beheren waarop Windows Server 2008 wordt uitgevoerd, kunt u Externe-serverbeheerprogramma's installeren. Hiertoe opent u Serverbeheer, klikt u met de rechtermuisknop op het knooppunt Functies, klikt u op Onderdelen toevoegen en zoekt u Externe-serverbeheerprogramma's op. Hierdoor worden WDSUTIL en de MMC-module Windows Deployment Services op de server geïnstalleerd.

Windows Deployment Services configureren

Nadat u de serverfunctie installeert, moet u Windows Deployment Services configureren met behulp van de MMC-module Windows Deployment Services of met het opdrachtregelprogramma WDSUTIL.

noteNote
U kunt Help opvragen voor de opdracht WDSUTIL door WDSUTIL /? bij de opdrachtprompt te typen. Help is ook online beschikbaar: Wdsutil.

Bekende problemen bij het configureren van Windows Deployment Services

Houd rekening met de volgende zaken wanneer u uw server configureert:

  • Internet Protocol versie 6 (IPv6) wordt niet ondersteund voor deze versie van Windows Deployment Services.

  • In de meeste gevallen kunt u de ongewijzigde standaardopstartkopie gebruiken die zich op de Windows Server 2008-media bevindt (in \Sources\boot.wim). Gebruik niet de Boot.wim op de Windows Vista-media tenzij SP1 in uw versie van Windows Vista is geïntegreerd op de dvd.

  • Als u Windows Deployment Services en een niet-Microsoft DHCP-server op dezelfde computer uitvoert, moet u niet alleen configureren dat de server niet luistert naar poort 67, maar ook met behulp van uw DHCP-hulpprogramma's Optie 60 toevoegen aan uw DHCP-bereiken.

  • Als DHCP op een server is geïnstalleerd die zich in een ander subnet bevindt, moet u een van de volgende bewerkingen uitvoeren:

    • (Aanbevolen) Uw IP Helpertabellen configureren. Alle DHCP-broadcasts door clientcomputers op UDP-poort 67 moeten direct worden doorgestuurd naar zowel de DHCP-server als de Windows Deployment Services-PXE-server. Ook moet al het verkeer op UDP-poort 4011 van de clientcomputers naar de Windows Deployment Services-PXE-server op de juiste manier worden gerouteerd (deze aanvragen regelen verkeer en geen broadcasts naar de server).

    • DHCP-opties 66 en 67 toevoegen. Zie het onderwerp Managing Network Boot Programs voor meer informatie.

Stappen voor het configureren van Windows Deployment Services

Als u de serverfunctie wilt configureren, gebruikt u de volgende procedure. Zie vervolgens de volgende sectie voor het toevoegen van installatiekopieën op de server.

Windows Deployment Services configureren
  1. Zorg dat u een Domeinadministrator bent.

  2. Klik op Start, klik op Systeembeheer en klik vervolgens op Windows Deployment Services.

  3. Vouw de lijst met servers uit in het linkervenster van de MMC-module Windows Deployment Services.

  4. Klik met de rechtermuisknop op de server en klik vervolgens op Server configureren.

  5. Volg de aanwijzingen in de wizard.

  6. Wanneer de configuratie is voltooid, schakelt u het selectievakje Installatiekopieën nu toevoegen aan Windows Deployment Services uit en klikt u vervolgens op Voltooien.

Stappen voor het toevoegen van installatiekopieën

Nadat u Windows Deployment Services hebt geconfigureerd, moet u ten minste één opstartkopie en één installatiekopie toevoegen, voordat u de Windows Deployment Services-server kunt opstarten en een installatiekopie kunt installeren.

  • Opstartkopieën. Met een opstartkopie kunt u een clientcomputer opstarten voordat u het besturingssysteem installeert. In de meeste scenario's kunt u het bestand Boot.wim gebruiken op de installatie-dvd van Windows Server 2008 (in de map \Sources). Het bestand Boot.wim bevat Windows PE- en de Windows Deployment Services-client (dat hoofdzakelijk Windows Vista Setup.exe en ondersteunende bestanden is). Gebruik niet de Boot.wim op de Windows Vista-media tenzij SP1 in uw versie van Windows Vista is geïntegreerd op de dvd.

  • Installatiekopieën. Installatiekopieën zijn kopieën van het besturingssysteem die u op de clientcomputer kunt installeren. U kunt ook het bestand Install.wim op de installatie-dvd gebruiken, of u kunt uw eigen installatiekopie maken door de stappen te volgen in Aangepaste installatiekopieën maken verderop in deze handleiding.

Als u de standaardinstallatiekopieën wilt toevoegen, gebruikt u de volgende procedures. Als u een opstartkopie en installatiekopie op de server hebt, kunt u opstarten via PXE op een clientcomputer om een besturingssysteem te installeren.

De standaardopstartkopie toevoegen die deel uitmaakt van de dvd voor productinstallatie
  1. Klik in het linkervenster van de MMC-module Windows Deployment Services met de rechtermuisknop op het knooppunt Opstartkopieën en klik vervolgens op Opstartkopie toevoegen.

  2. Blader naar de standaardopstartkopie (Boot.wim) in de map \Sources op de dvd van Windows Server 2008.

  3. Klik achtereenvolgens op Openen en Volgende.

  4. Voeg de kopie toe aan de hand van de aanwijzingen in de wizard.

De standaardinstallatiekopie toevoegen die deel uitmaakt van de dvd voor productinstallatie
  1. Klik in de MMC-module Windows Deployment Services met de rechtermuisknop op het knooppunt Installatiekopieën installeren en klik vervolgens op Installatiekopie toevoegen.

  2. Typ een naam voor de installatiekopiegroep en klik vervolgens op Volgende.

  3. Blader naar de standaardinstallatiekopie (Install.wim) in de map \Sources op de dvd van Windows Vista of Windows Server 2008 en klik vervolgens op Openen.

  4. Als u een subset wilt toevoegen van de installatiekopieën die worden vermeld in het bestand Install.wim, schakelt u de selectievakjes uit bij de kopieën die u niet aan de server wilt toevoegen. Voeg alleen de installatiekopieën toe waarvoor u over een licentie beschikt.

  5. Voeg de installatiekopieën toe aan de hand van de aanwijzingen in de wizard.

  6. Nu u een opstartkopie en installatiekopie op de server hebt, kunt u opstarten via PXE op een clientcomputer om een besturingssysteem te installeren.

Het opstartmenu configureren

Op Opstartkopieën bevindt zich Windows PE, waarmee de client opstart om de installatiekopie te selecteren die wordt geïnstalleerd. Wanneer u meerdere opstartkopieën beschikbaar hebt voor clientcomputers, krijgen de clients een opstartmenu te zien met daarin de opstartkopieën. Gebruikers moeten eerst een opstartkopie selecteren en vervolgens worden de installatiekopieën weergegeven. Dankzij het opstartmenu kunt u over opstartkopieën beschikken voor verschillende taken en typen architectuur. U kunt bijvoorbeeld over opstartkopieën beschikken die het volgende doen:

  • Setup starten om Windows te installeren.

  • De vaste schijven opnieuw formatteren voor BitLocker-stationsversleuteling (met behulp van unattend) en vervolgens Windows installeren.

  • De Windows Herstelomgeving (Windows RE) opnemen voor gebruik wanneer een computer niet wordt gestart.

  • De wizard Installatiekopie maken voor Windows Deployment Services opnemen, waarmee een installatiekopie wordt gemaakt op basis van het besturingssysteem van de clientcomputer.

  • Een Windows PE-installatiekopie opnemen voor beheerders die andere bewerkingen willen uitvoeren vanuit Windows PE.

Daarnaast kunnen op x64-computers opstartkopieën voor de x86-architectuur of de x64-architectuur worden uitgevoerd. Op die manier kunt u voor elk van deze taken twee opstartkopieën hebben: een voor x86 en een voor x64. In het opstartmenu op x86-computers worden alleen x86-opstartkopieën weergegeven, aangezien x64-opstartkopieën niet op x86-computers kunnen worden uitgevoerd.

noteNote
Standaard worden op x64-computers opstartkopieën weergegeven voor zowel x86 als x64 wanneer voor beide architecturen opstartkopieën voorhanden zijn. Als u deze standaardinstelling wilt wijzigen, voert u de opdracht WDSUTIL /Set-Server /Defaultx86x64ImageType:{x86|x64|both} uit

Zie het onderwerp Het opstartmenu beheren[role] voor gedetailleerde informatie.

Bekende problemen bij het configureren van het opstartmenu

De volgende problemen en beperkingen komen voor bij het opstartmenu:

  • Het opstartmenu kan niet meer dan 13 opstartkopieën bevatten. Dit is vanwege een beperking in het aantal tekens dat kan worden weergegeven in het opstartmenu van de loader van het besturingssysteem.

  • De naam van het WIM-bestand dat de opstartkopie bevat, mag geen spaties bevatten. Dit bestand mag alleen letters en cijfers bevatten.

  • Gebruik het bestand Boot.wim op de Windows Server 2008-media. Gebruik niet de Boot.wim op de Windows Vista-media tenzij SP1 in uw versie van Windows Vista is geïntegreerd op de dvd. Als u de versie van Windows Vista zonder SP1 gebruikt, werkt multicasting niet correct.

  • Dubbel-byte-tekens die in namen van installatiekopieën worden gebruikt, worden mogelijk niet juist weergegeven in het opstartmenu. Dit probleem heeft te maken met localisatie van tekenreeksen. Beperkingen binnen de BIOS-tekensets veroorzaken onjuiste weergaven van de tekens.

Stappen voor het configureren van het opstartmenu

Hier wordt beschreven hoe u meer opstartkopieën aan het opstartmenu toevoegt.

Een extra opstartkopie toevoegen met behulp van de interface van Windows
  1. Open de MMC-module Windows Deployment Services.

  2. Klik met de rechtermuisknop op het knooppunt Installatiekopieën opstarten en klik vervolgens op Installatiekopie voor installeren toevoegen.

  3. Klik op Bladeren om de opstartkopie op te zoeken die u wilt toevoegen. De opstartkopie moet zich op de server bevinden en kan van dezelfde of een andere architectuur zijn.

  4. Volg de instructies in de wizard om de opstartkopie toe te voegen.

  5. Wanneer u deze procedure hebt voltooid en u een clientcomputer opstart via PXE, wordt er een opstartmenu weergegeven met daarin beide kopieën (als beide van toepassing zijn op die computer).

Een extra opstartkopie toevoegen bij de opdrachtprompt
  1. Open een opdrachtpromptvenster met beheerdersmachtigingen. (Klik op Start, klik met de rechtermuisknop op Opdrachtprompt en klik vervolgens op Als administrator uitvoeren).

  2. Voer de volgende opdracht uit als u nog een opstartkopie wilt toevoegen. Hierbij verwijst <opstartkopie> naar het volledige pad naar de opstartkopie op de server. De kopie mag dezelfde of een andere architectuur hebben.

    WDSUTIL /Add-Image /ImageFile:<opstartkopie> /ImageType:boot

  3. Wanneer u deze procedure hebt voltooid en u een clientcomputer opstart via PXE, wordt er een opstartmenu weergegeven met daarin beide kopieën (als beide van toepassing zijn op die computer).

    noteNote
    U kunt Help opvragen voor de opdracht WDSUTIL door WDSUTIL /? bij de opdrachtprompt te typen. Help is ook online beschikbaar: Wdsutil.

U kunt nu aanvullende wijzigingen in het opstartmenu aanbrengen. Daartoe gebruikt u het hulpprogramma Bcdedit.exe om het bestand Default.bcd in de map %REMINST%\boot\<architectuur> te bewerken. Zie het gedeelte over het gebruik van Bcdedit om het BCD-bestand te wijzigen in Het opstartmenu beheren[role].

Aangepaste installatiekopieën maken

Met behulp van Windows Deployment Services kunt u aangepaste installatiekopieën maken. U kunt ook installatiekopieën wijzigen (om bestanden, stuurprogramma's, enzovoort toe te voegen) met behulp van de hulpprogramma's in de Windows AIK. De processen voor deze bewerkingen zijn hetzelfde voor opstartkopieën en installatiekopieën, maar de hulpprogramma's en syntaxis verschillen. Zie Creating Images voor meer informatie. Als u een installatiekopie wilt maken, moet u eerst een vastleggingskopie maken.

Voorwaarden voor met maken van aangepaste installatiekopieën

Als u installatiekopieën wilt maken, moet u rekening houden met de volgende voorwaarden:

  • U moet ervoor zorgen dat er voldoende schijfruimte is voor het maken en opslaan van de nieuwe kopieën.

  • U moet lid zijn van de lokale groep Administrators op de Windows Deployment Services-server.

Bekende problemen bij het maken van aangepaste installatiekopieën

Wanneer u de vastleggingskopie opstart, wordt de wizard Installatiekopie vastleggen gestart. Houd rekening met het volgende met betrekking tot deze wizard:

  • Alleen stations met besturingssystemen die zijn voorbereid met Sysprep worden weergegeven. Als u Sysprep niet op de computer uitvoert voordat u de installatiekopie opstart, ziet u geen stations die moeten worden vastgelegd.

  • U moet een lokale locatie opgeven waarop de nieuwe installatiekopie moet worden opgeslagen, anders kunt u de kopie niet vastleggen. Dit is nodig om te voorkomen dat de installatiekopie beschadigd raakt als er een storing op het netwerk is.

  • U moet de bestandsextensie WIM gebruiken in de wizard Installatiekopie vastleggen wanneer u opgeeft waar u een kopie van de installatiekopie opslaat, anders mislukt de bewerking en wordt een fout gegenereerd.

  • Als u een opstartkopie in x64-indeling toevoegt en daar een installatiekopie van vastlegt, kunt u er alleen x64-computers mee opstarten (geen 32-bits computers).

Stappen voor het maken van een vastleggingskopie

Als u een installatiekopie wilt maken, moet u eerst een vastleggingskopie maken. Vastleggingskopieën zijn opstartkopieën waarmee u een clientcomputer opstart om het besturingssysteem in een WIM-bestand vast te kunnen leggen. U kunt ook media maken (zoals een cd, dvd, USB-stick of ander soort medium) met daarop een vastleggingskopie en de computer vervolgens met dit medium opstarten. Deze kopieën bieden een alternatief voor het opdrachtregelprogramma ImageX.exe. Met uitzondering van geavanceerde scenario's, kunt u een vastleggingskopie maken door het bestand Boot.wim te gebruiken op de Windows Server 2008-media (in de map \Sources). U kunt ook het bestand WinPE.wim gebruiken in de Windows AIK om een vastleggingskopie te maken, dat iets kleiner is dan het bestand Boot.wim.

Gebruik een van de volgende procedures om een vastleggingskopie te maken.

Een vastleggingskopie maken met de Windows-interface
  1. Vouw het knooppunt Installatiekopieën opstarten uit in de MMC-module Windows Deployment Services.

  2. Klik met de rechtermuisknop op de installatiekopie die u wilt gebruiken als vastleggingskopie. In de meeste gevallen kunt u gewoon het bestand Boot.wim gebruiken op de media die u hebt toegevoegd in het onderdeel Stappen voor het toevoegen van installatiekopieën eerder in deze handleiding.

  3. Klik op Vastlegopstartinstallatiekopie maken.

  4. Typ een naam, een beschrijving en de locatie waar u een lokale kopie van het bestand wilt opslaan. U moet een locatie opgegeven voor het geval er een probleem optreedt met het netwerk wanneer u de vastleggingskopie installeert.

  5. Volg de aanwijzingen in de wizard. Klik op Voltooien wanneer u klaar bent.

  6. Klik met de rechtermuisknop op de map met de opstartkopie.

  7. Klik op Installatiekopie voor opstarten toevoegen.

  8. Druk op de bladerknop en selecteer de nieuwe vastleggingskopie, Klik vervolgens op Volgende.

  9. Volg de aanwijzingen in de wizard.

  10. Nadat u de vastleggingskopie hebt gemaakt, volgt u de instructies in het onderdeel Een installatiekopie installeren om een clientcomputer op te starten met de vastleggingskopie, en het besturingssysteem vast te leggen.

Een vastleggingskopie maken met behulp van de opdrachtregel
  1. Open een opdrachtpromptvenster met beheerdersmachtigingen.

  2. Typ de volgende opdracht. Hierbij is <opstartkopie> de naam van de opstartkopie die u wilt gebruiken om de vastleggingskopie te maken en verwijst <vastleggingskopie> naar het pad en de bestandsnaam van de nieuwe vastleggingskopie:

    WDSUTIL /New-CaptureImage /Image:<opstartkopie> /Architecture:x86 /Filepath:<vastleggingskopie>

  3. Typ de volgende opdracht. Hierbij verwijst <vastleggingskopie> naar het bestandspad en de bestandsnaam van de vastleggingskopie die u aan de opslag voor installatiekopieën wilt toevoegen:

    WDSUTIL /Add-Image /Imagefile:<vastleggingskopie> /ImageType:boot

    noteNote
    U kunt Help opvragen voor de opdracht WDSUTIL door WDSUTIL /? bij de opdrachtprompt te typen. Help is ook online beschikbaar: Wdsutil.

  4. Nadat u de vastleggingskopie hebt gemaakt, volgt u de instructies in het onderdeel Een installatiekopie installeren om een clientcomputer op te starten met de vastleggingskopie, en het besturingssysteem vast te leggen.

Stappen voor het maken van een installatiekopie

Nu u over een vastleggingskopie beschikt, moet u de referentiecomputer voorbereiden en vervolgens de installatiekopie maken. Een referentiecomputer kan een computer zijn met een standaard-Windows-installatie of een Windows-installatie die is geconfigureerd voor een specifieke omgeving. Eerst start u een computer op (die is voorbereid met Sysprep) met de vastleggingskopie. Vervolgens wordt met behulp van een wizard een installatiekopie van de referentiecomputer gemaakt en wordt deze opgeslagen als WIM-bestand. Daarna kunt u het WIM-bestand distribueren als een installatiekopie.

Een aangepaste installatiekopie maken.
  1. Maak een referentiecomputer (installeer het besturingssysteem en de toepassingen, en breng desgewenst andere wijzigingen aan).

  2. Zorg ervoor dat u de correcte versie van Sysprep.exe op de computer hebt.

  3. Ga via de opdrachtregel op de referentiecomputer naar de map \Windows\System32\Sysprep of de map met de bestanden Sysprep.exe en Setupcl.exe.

  4. Typ een van de volgende opdrachten:

    • Op computers waarop Windows Vista wordt uitgevoerd, voert u de opdracht sysprep /oobe /generalize /reboot uit. Als u liever de grafische gebruikersinterface van Sysprep gebruikt, dubbelklikt u op Sysprep.exe.

    • Op computers waarop Windows XP wordt uitgevoerd, voert u de opdracht: sysprep -mini -reseal uit.

  5. Wanneer de computer opnieuw opstart, start u de computer op via het netwerk door op F12 te drukken.

  6. In het opstartmenu selecteert u de vastleggingskopie die u in de vorige procedure hebt gemaakt en klikt u vervolgens op Volgende.

  7. Kies het juiste station en geef vervolgens een naam en een beschrijving voor de installatiekopie op. Klik op Volgende om door te gaan.

    ImportantImportant
    Alleen stations met besturingssystemen die zijn voorbereid met Sysprep worden weergegeven. Als u de opdracht in stap 4 niet uitvoert, worden er geen stations weergegeven waarvoor u een installatiekopie kunt vastleggen.

  8. Klik op Bladeren en blader naar een lokale map waar u de vastgelegde installatiekopie wilt opslaan.

    ImportantImportant
    U moet een lokale locatie opgeven waarop de nieuwe installatiekopie moet worden opgeslagen, anders kunt u de kopie niet vastleggen. Dit is nodig om te voorkomen dat de installatiekopie beschadigd raakt als er een storing op het netwerk is.

  9. Typ een naam voor de installatiekopie (met de bestandsnaamextensie .wim) en klik vervolgens op Opslaan.

    ImportantImportant
    U moet de bestandsnaamextensie WIM gebruiken wanneer u de naam opgeeft, anders mislukt de bewerking en wordt een fout gegenereerd.

  10. Selecteer Installatiekopie naar WDS-server uploaden.

  11. Typ de naam van de Windows Deployment Services-server en klik vervolgens op Verbinding maken.

  12. Als om referenties wordt gevraagd, geeft u de gebruikersnaam en het wachtwoord op van een account met voldoende machtigingen om verbinding te maken met de Windows Deployment Services-server.

  13. Kies in de lijst installatiekopiegroep op de installatiekopiegroep waarin u de kopie wilt opslaan.

  14. Klik op Voltooien.

Detectiekopieën maken

Detectiekopieën zijn opstartkopieën die u kunt gebruiken om een besturingssysteem te installeren op een computer die geen PXW ondersteunt. Wanneer u een detectiekopie maakt en deze opslaat op een medium (zoals een cd, dvd, USB-stick of ander medium), kunt u de computer met dit medium opstarten. Met behulp van de detectiekopie op het medium wordt een Windows Deployment Services-server gezocht, waarna de kopie vanaf de server op de computer wordt geïnstalleerd. U kunt detectiekopieën zo configureren dat naar een specifieke Windows Deployment Services-server wordt gezocht. Als er meerdere servers in uw omgeving aanwezig zijn, kunt u zodoende voor elke server een detectiekopie maken en de naam van de diverse detectiekopieën baseren op de naam van de server in kwestie.

Voorwaarden voor het maken van detectiekopieën

  • U moet beschikken over een cd, dvd of flash-station om de kopie op te kunnen slaan.

  • U moet beschikken over een programma voor het branden van schijven als de installatiekopie wilt branden op een cd of dvd.

Stappen voor het maken van detectiekopieën

U kunt detectiekopieën maken met behulp van de MMC-module Windows Deployment Services of WDSUTIL. Nadat u de detectiekopie hebt gemaakt, maakt u media die de detectiekopie bevatten. U moet detectiekopieën maken met behulp van het bestand Boot.wim op de Windows Server 2008-media (in de map \Sources). U kunt niet het bestand WinPE.wim gebruiken in de Windows AIK voor het maken van een detectiekopie.

Een detectiekopie maken met de Windows-interface
  1. Vouw het knooppunt Installatiekopieën opstarten uit in de MMC-module Windows Deployment Services.

  2. Klik met de rechtermuisknop op de installatiekopie die u als detectiekopie wilt gebruiken. Dit moet het bestand Boot.wim zijn op de Windows Server 2008-media.

  3. Klik op Opsporingsopstartinstallatiekopie maken.

  4. Volg de instructies in de wizard. Klik op Voltooien wanneer de wizard is voltooid.

  5. Klik met de rechtermuisknop op de map met de opstartkopie.

  6. Klik op Installatiekopie voor opstarten toevoegen.

  7. Druk op de bladerknop en selecteer de nieuwe detectiekopie, Klik vervolgens op Volgende.

  8. Volg de aanwijzingen in de wizard.

Een detectiekopie maken met behulp van de opdrachtregel
  1. Open een opdrachtpromptvenster met beheerdersmachtigingen.

  2. Typ de volgende opdracht. Hierbij is <opstartkopie> de naam van de opstartkopie die u wilt gebruiken om de detectiekopie te maken en verwijst <detectiekopie> naar het pad en de bestandsnaam van het bestand waarin u de detectiekopie opslaat:

    WDSUTIL /New-CaptureImage /Image:<opstartkopie> /Architecture:x86 /Filepath:<detectiekopie>

  3. Als u de detectiekopie weer aan de opslag voor installatiekopieën wilt toevoegen, typt u de volgende opdracht. Hierbij verwijst <detectiekopie> naar het bestandspad en de bestandsnaam van de detectiekopie:

    WDSUTIL /Add-Image /ImageFile:<detectiekopie> /ImageType:boot

Media maken die de detectiekopie bevatten
  1. Download en installeer de Windows AIK (http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=81030).

  2. Open een opdrachtregelvenster en typ de volgende opdracht om over te schakelen naar de map PETools:

    cd C:\Program Files\Windows AIK\Tools\PETools

  3. Maak een Windows PE-opbouwomgeving door de volgende opdracht te typen:

    CopyPE <architectuur> C:\Winpe

  4. Kopieer de detectiekopie die u in de voorgaande stappen hebt gemaakt door de volgende opdracht te typen:

    copy /y c:\boot.wim c:\Winpe\ISO\Sources

  5. Ga terug naar de map PETools door de volgende opdracht op te geven:

    cd C:\Program Files\Windows AIK\Tools\PETools

  6. Maak de opstartbare ISO-installatiekopie door de volgende opdracht te typen:

    oscdimg -n -bc:\winpe\ISO\boot\etfsboot.com c:\winpe\ISO c:\winpe.iso

  7. Met een hulpprogramma voor het maken van cd's of dvd's kunt u de ISO-installatiekopie naar de juiste media overbrengen.

    noteNote
    Wanneer u de Windows-opdracht copy gebruikt om de installatiekopie naar de media te kopiëren, wordt er geen opstartbare schijf gemaakt.

  8. Start de clientcomputer met de media. Mogelijk moet u hiervoor de volgorde van opstarten wijzigen in de BIOS van de client. Wanneer de client opstart met de media, gaat dit hetzelfde als wanneer u via het netwerk had opgestart.

Een installatiekopie installeren

Als u ten minste één opstartkopie op de server hebt, kunt u een installatiekopie installeren. Windows Deployment Services maakt gebruik van PXE-technologie om een clientcomputer op te laten starten vanaf het netwerk en een externe verbinding met een Windows Deployment Services-server te maken via een TCP/IP-netwerkverbinding.

Voorwaarden voor het installeren van een installatiekopie

Hieronder volgen de voorwaarden voor het maken van een externe verbinding met een Windows Deployment Services-server:

  • De clientcomputer moet in staat zijn op te starten via PXE.

  • Uw gebruikersaccount moet lid zijn van de groep Domeingebruikers.

  • De clientcomputer moet beschikken over ten minste 512 MB aan RAM. Dit is de minimumhoeveelheid RAM om Windows PE te kunnen gebruiken.

  • De client moet voldoen aan de systeemvereisten van het besturingssysteem op de installatiekopie.

Stappen voor het installeren van een installatiekopie

Als u een computer wilt opstarten via PXE om een installatiekopie te installeren, gebruikt u de volgende procedure.

Een besturingssysteem installeren
  1. Configureer het BIOS van de computer zo dat opstarten met PXE mogelijk is en stel de opstartvolgorde zo in dat eerst wordt geprobeerd de computer via het netwerk op te starten.

  2. Start de computer opnieuw en druk wanneer dat wordt aangegeven op F12 om via het netwerk op te starten.

  3. Selecteer de juiste opstartkopie in het opstartmenu. (Dit menu voor het selecteren van een installatiekopie is alleen beschikbaar als er twee of meer opstartkopieën op de server aanwezig zijn. Zie Het opstartmenu configureren eerder in deze handleiding voor meer informatie.)

  4. Volg de instructies in de Windows Deployment Services-client.

  5. Wanneer de installatie is voltooid, wordt de computer opnieuw opgestart en gaat Setup verder.

Een installatie zonder toezicht uitvoeren

Met Windows Deployment Services kunt de Windows Deployment Services-client en de latere stadia van Windows Setup automatiseren. U kunt gebruikmaken van deze benadering met twee stadia, door twee verschillende bestanden te gebruiken voor installatie zonder toezicht. Een bestand is voor het automatiseren van de gebruikersinterfaceschermen in de Windows Deployment Services-client en het andere bestand is voor het automatiseren van de resterende stadia van Setup.

  • Bestand voor installatie zonder toezicht op Windows Deployment Services-clients. Dit bestand maakt gebruik van de indeling Unattend.xml en wordt opgeslagen op de Windows Deployment Services-server in de map C:\RemoteInstall\WDSClientUnattend. Dit bestand wordt gebruikt om de bewerkingen op de schermen van de gebruikersinterface op de Windows Deployment Services-client (bijvoorbeeld referenties opgeven, een installatiekopie kiezen en de schijf configureren) te automatiseren.

  • Bestand voor installatie zonder toezicht van installatiekopie. Hiervoor wordt het bestand Unattend.xml of Sysprep.inf gebruikt, afhankelijk van de versie van het besturingssysteem dat de installatiekopie bevat. Dit bestand wordt opgeslagen in een submap (hetzij $OEM$, hetzij \Unattend) in de specifieke map van elke installatiekopie. Met dit bestand worden de overige stadia van de installatie (bijvoorbeeld offline onderhoud, Sysprep-specialisatie en Mini-Setup) geautomatiseerd.

Er zijn twee bestanden voor installatie zonder toezicht nodig omdat de Windows Deployment Services-client twee typen installatiekopie kan distribueren: Windows Vista-installatiekopieën die de indeling Unattend.xml ondersteunen en Windows XP- en Windows Server 2003-installatiekopieën die de indeling Unattend.xml niet ondersteunen.

Voorwaarden voor het uitvoeren van een installatie zonder toezicht

  • U moet lid zijn van de lokale groep Administrators op de Windows Deployment Services-server.

  • U moet ervoor zorgen dat u over voldoende bevoegdheden beschikt om een computer aan een domein te kunnen toevoegen. Zie Vereiste machtigingen voor meer informatie.

Bekende problemen bij installaties zonder toezicht

Beheerprogramma's voor Windows Deployment Services wijzen bestanden voor installatie zonder toezicht alleen toe aan installatiekopieën voor Windows Vista en Windows Server 2008. Voor installatiekopieën van oudere besturingssystemen moet u de bestaande Sysprep.inf-bestanden gebruiken en handmatig de mapstructuur $OEM$ maken.

Stappen voor het uitvoeren van een installatie zonder toezicht

Als u de installatie wilt automatiseren, maakt u het benodigde bestand voor installatie zonder toezicht. Welk bestand dit is, is afhankelijk van de vraag of u de Windows Deployment Services-client of Windows Setup wilt configureren. Het is raadzaam Windows System Image Manager (onderdeel van de Windows AIK) te gebruiken om de bestanden voor installatie zonder toezicht te bewerken. Kopieer het bestand voor installatie zonder toezicht vervolgens naar de juiste locatie en wijs het toe voor gebruik. U kunt het op server- of op clientniveau toewijzen. De toewijzing op serverniveau kan worden opgesplitst per architectuur, zodat u verschillende instellingen kunt hanteren voor x86- en x64-clients. Instellingen op serverniveau worden overschreven door de toewijzing op clientniveau.

Een installatie zonder toezicht configureren voor de Windows Deployment Services-client

Gebruik de volgende procedure om een installatie zonder toezicht te configureren. Zie Installaties zonder toezicht uitvoeren voor meer informatie.

Een bestand voor installatie zonder toezicht op een client koppelen volgens architectuur via de Windows-interface
  1. Maak een bestand Unattend.xml met instellingen die van toepassing zijn op de Windows Deployment Services-client. Zie het onderwerp Sample Unattend Files voor voorbeelden.

  2. Kopieer het bestand voor installatie zonder toezicht van de client naar een map in de map RemoteInstall . Bijvoorbeeld: RemoteInstal\WDSClientUnattend.

  3. Open de MMC-module Windows Deployment Services en klik met de rechtermuisknop op de server met de installatiekopie van Windows Vista of Windows Server 2008 waaraan u het bestand voor installatie zonder toezicht wilt koppelen. Klik vervolgens op Eigenschappen.

  4. Selecteer op het tabblad Client de optie Installatie zonder toezicht inschakelen, selecteer het juiste bestand voor installatie zonder toezicht en klik vervolgens op Openen.

  5. Klik op OK om het dialoogvenster Eigenschappen te sluiten.

Een bestand voor installatie zonder toezicht op een client koppelen via de opdrachtregel
  1. Maak een bestand Unattend.xml met instellingen die van toepassing zijn op de Windows Deployment Services-client. Zie het onderwerp Sample Unattend Files voor voorbeelden.

  2. Kopieer het bestand voor installatie zonder toezicht van de client naar een map in de map RemoteInstall . Bijvoorbeeld: RemoteInstal\WDSClientUnattend.

  3. Klik op Start, klik met de rechtermuisknop op Opdrachtprompt en klik vervolgens op Als administrator uitvoeren.

  4. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    • Als u het bestand voor een architectuur wilt koppelen, typt u het volgende, waarbij <bestandspad> de naam van het pad en de bestandsnaam is van het bestand voor installatie zonder toezicht:

      WDSUTIL /Set-Server /WDSUnattend /Policy:enabled /File:<bestandspad> /Architecture:[x86|x64]

    • Als u het bestand wilt koppelen voor een computer, typt u het volgende, waarbij <relatief pad> het pad is van de gedeelde map C:\RemoteInstall naar de map die het bestand voor installatie zonder toezicht bevat:

      WDSUTIL /Set-Device /Device:<computernaam> /ID:<GUID- of MAC-adres> /WDSClientUnattend:<relatief pad>

Een installatie zonder toezicht configureren voor Windows Setup

Gebruik de volgende procedures om een bestand voor installatie zonder toezicht te koppelen aan een installatiekopie.

Een bestand voor installatie zonder toezicht koppelen via de Windows-interface
  1. Maak een bestand Unattend.xml (voor Windows Vista) of Sysprep.inf (voor eerdere versies van Windows). Zie het onderwerp Sample Unattend Files voor voorbeelden.

  2. De volgende stappen hangen af van het bestand dat u maakt:

    • Bestanden Sysprep.inf opslaan. Sla deze bestanden op in de $OEM$-structuur van de installatiekopie (bijvoorbeeld D:\RemoteInstall\Images\Windows XP\winxpsp2\$OEM$\$1\sysprep\sysprep.inf). Wanneer u de installatiekopie nu distribueert, zoekt Setup automatisch naar het bestand Sysprep.inf en gebruikt dit.

    • Bestanden Unattend.xml. Sla Unattend.xml-bestanden op de gewenste locatie op en koppel het bestand vervolgens aan een installatiekopie. Hiertoe opent u de MMC-module, klikt u met de rechtermuisknop op de installatiekopie die u wilt koppelen aan het bestand voor installatie zonder toezicht en klikt u vervolgens op Eigenschappen. Klik op het tabblad Algemeen op Installatiekopie laten installeren zonder toezicht, klik op Bestand selecteren, blader naar het bestand unattend.xml en klik vervolgens tweemaal op OK .

      noteNote
      Het bestand Unattend.xml file wordt opgeslagen in de volgende locatie: \RemoteInstall\Images\<installatiekopiegroep>\<naaminstallatiekopie>\Unattend\ImageUnattend.xml.

Een bestand voor installatie zonder toezicht koppelen via de opdrachtregel
  1. Maak een bestand Unattend.xml (voor Windows Vista) of Sysprep.inf (voor eerdere versies van Windows). Zie het onderwerp Sample Unattend Files voor voorbeelden.

  2. De volgende stappen hangen af van het bestand dat u maakt:

    • Bestanden Sysprep.inf. Sla deze bestanden op in de $OEM$-structuur van de installatiekopie (bijvoorbeeld D:\RemoteInstall\Images\Windows XP\winxpsp2\$OEM$\$1\sysprep\sysprep.inf). Wanneer u de installatiekopie nu distribueert, zoekt Setup automatisch naar het bestand Sysprep.inf en gebruikt dit.

    • Bestanden Unattend.xml. Sla Unattend.xml-bestanden op de gewenste locatie op en koppel het bestand vervolgens aan een installatiekopie. Hiertoe opent u een opdrachtregelvenster met Beheerderbevoegdheden en typt u de volgende opdracht, waarbij <bestandinstallatiezondertoezicht> het pad en de bestandsnaam is van het bestand voor installatie zonder toezicht dat u aan de installatiekopie wilt koppelen:

      WDSUTIL /Set-Image /Image:<naaminstallatiekopie> /ImageType:install /ImageGroup:<naaminstallatiekopiegroep> /UnattendFile:<bestandinstallatiezondertoezicht>

      noteNote
      Het bestand Unattend.xml file wordt opgeslagen in de volgende locatie: \RemoteInstall\Images\<installatiekopiegroep>\<naaminstallatiekopie>\Unattend\ImageUnattend.xml.

Een multicast-overdracht maken

Via multicast-overdracht kunt u een installatiekopie installeren op een groot aantal clientcomputers zonder daarbij het netwerk te overbelasten. Als u een multicast-overdracht voor een installatiekopie inschakelt, worden de gegevens slechts eenmaal via het netwerk verzonden. Dat kan de gebruikte netwerkbandbreedte aanzienlijk beperken. Zie het onderwerp Transportserver gebruiken voor informatie over het gebruik van multicastfunctionaliteit met transportserver.

Voorwaarden voor het maken van een multicast-overdracht

Als u dit onderdeel in uw organisatie wilt inzetten, moet u beschikken over:

  • Routers die multicasting ondersteunen. Met name moet uw netwerkinfrastructuur IGMP (Internet Group Management Protocol) ondersteunen om multicastverkeer goed te kunnen doorsturen. Zonder IGMP worden multicast-pakketten behandeld als broadcast-pakketten, wat kan leiden tot overbelasting van het netwerk.

  • Minimaal één installatiekopie die u wilt overdragen op de server.

  • Het bestand Boot.wim van de media voor Windows Server 2008 (in de map \Sources).

  • Internet Group Membership Protocol-controle moet op alle apparaten worden ingeschakeld. Hierdoor stuurt uw netwerkhardware multicast-pakketten alleen naar de apparaten die om gegevens verzoeken. Als IGMP-controle is uitgeschakeld, worden multicast-pakketten behandeld als broadcast-pakketten en naar elk apparaat in het subnet gestuurd.

Bekende problemen bij het maken van multicast-overdrachten

De volgende problemen kunnen optreden bij het implementeren van multicasting:

  • Als u een Boot.wim-bestand in Windows Vista gebruikt voor multicast-overdrachten, kunt u een overdracht maken, maar kunnen gebruikers die hiermee de computer opstarten geen toegang verkrijgen tot de overdracht.

  • Als op meerdere servers in het netwerk multicast-functionaliteit wordt gebruikt (Transportserver, Implementatieserver of een andere oplossing), is het van belang elke server zo te configureren dat de IP-adressen voor multicasting niet strijdig zijn. Anders is het mogelijk dat de hoeveelheid gegevensverkeer enorm toeneemt wanneer u multicasting inschakelt. Standaard wordt op elke Windows Deployment Services-server hetzelfde bereik gebruikt. U kunt dit probleem vermijden door statische bereiken op te geven die elkaar niet overlappen. Op die manier weet u zeker dat voor elke server een uniek IP-adres of Multicast Address Dynamic Client Allocation Protocol (MADCAP) wordt gebruikt. Als u deze optie wilt opgeven, klikt u met de rechtermuisknop op de server in de MMC-module, klikt u op Eigenschappen en klikt u vervolgens op het tabblad Netwerkinstellingen.

  • Wanneer u Windows Deployment Services-server hebt geconfigureerd en u het IP-multicastadres, het UDP-poortbereik of het RPC-poortnummer hebt gewijzigd (met wdsutil /set-server /rpcport:<poortnum>), moet u de service opnieuw starten voordat de wijzigingen van kracht worden. Als u de service niet opnieuw start, worden de oude waarden gebruikt en is het mogelijk dat de server niet op clientaanvragen reageert. U kunt de service op een van de volgende manieren opnieuw starten: klik met de rechtermuisknop op Windows Deployment Services in de MMC-module en klik vervolgens op Opnieuw opstarten of voer de opdracht wdsutil /stop-server uit en vervolgens wdsutil /start-server in een opdrachtregelvenster met Beheerdersbevoegdheden.

  • Elke overdracht kan slechts zo snel worden uitgevoerd als de langzaamste client. Dat wil zeggen dat de gehele overdracht langzaam is als er één langzame client is. Dit probleem kunt u oplossen door eerst vast te stellen welke client verantwoordelijk is voor het vertragen van de overdracht (dit wordt de hoofdclient genoemd). Hiertoe bekijkt u de uitvoer van de volgende opdracht: WDSUTIL /Get-MulticastTransmission /Show-clients. Vervolgens verbreekt u de verbinding van de hoofdclient. Dit dwingt de hoofdclient de overdracht uit te voeren door het SMB-protocol (Server Message Block) te gebruiken en de multicast-prestaties van de andere clients zou hierdoor moeten verbeteren. Als dat niet het geval is, is er een probleem met de hardware van de client (bijvoorbeeld een trage vaste schijf) of een netwerkprobleem.

Stappen voor het maken van een multicast-overdracht

U kunt overdrachten maken op een van de volgende manieren:

Windows-interface

Als u multicasting voor een installatiekopie wilt inschakelen, moet u er een multicast-overdracht voor maken. In Windows hebt u twee opties voor het maken van een multicast-overdracht:

  • Klik met de rechtermuisknop op het knooppunt Multicast-overdracht en klik vervolgens op Multicast-overdracht maken.

  • Klik met de rechtermuisknop op een installatiekopie en klik vervolgens op Multicast-overdracht maken.

Multicast-type selecteren

Multicast-overdrachten zijn onder te verdelen in twee typen:

  • AutoCast. Met deze optie geeft u aan dat een multicast-overdracht van de geselecteerde installatiekopie wordt gestart wanneer een geschikte client een installatiekopie aanvraagt. Wanneer andere clients diezelfde installatiekopie aanvragen, worden deze aanvragen ook toegevoegd aan de overdracht die al is gestart.

  • ScheduledCast. Met deze optie stelt u de begincriteria voor de overdracht in op basis van het aantal clients die een installatiekopie aanvragen en/of een specifieke dag en tijd. Als u niet een van deze selectievakjes inschakelt, start de overdracht pas als u deze handmatig start. U kunt een overdracht op een willekeurig moment handmatig starten door met de rechtermuisknop op de overdracht te klikken en vervolgens op Start te klikken.

    noteNote
    De gegevens worden alleen via het netwerk overgebracht als daar op de clients om wordt gevraagd. Als er geen clients met de server zijn verbonden (en de overdracht dus niet actief is), worden er geen gegevens via het netwerk verzonden.

Overdrachten configureren

Nadat er een overdracht is gemaakt, kunt u een van de volgende handelingen uitvoeren:

  • De overdracht starten. Als de overdracht via ScheduledCast plaatsvindt, er minimaal één client is en de overdracht nog niet is gestart, kunt u met de rechtermuisknop op de overdracht klikken en op Starten klikken.

  • De overdracht verwijderen. Als u met de rechtermuisknop op de overdracht klikt en op Verwijderen klikt, wordt de multicast-overdracht gestopt en wordt voor elke client weer unicasting gebruikt voor de overdracht. Dat wil zeggen: de clientinstallaties worden niet verwijderd of gestopt, maar de installatie wordt niet met behulp van de multicast-overdracht voltooid.

  • De overdracht deactiveren. Als u met de rechtermuisknop klikt en vervolgens op Deactiveren klikt, worden de huidige clientinstallaties voortgezet, maar worden er geen nieuwe clients aan de overdracht toegevoegd. Wanneer alle lopende clientinstallaties zijn voltooid, wordt de overdracht verwijderd. Als er geen clients zijn wanneer u op deze optie klikt, wordt de overdracht onmiddellijk verwijderd.

  • De eigenschappen van de overdracht weergeven. U kunt de eigenschappen weergeven door met de rechtermuisknop op de overdracht te klikken en vervolgens op Eigenschappen te klikken. U kunt de eigenschappen van een bestaande overdracht niet wijzigen. Als u de eigenschappen van een bestaande overdracht wilt wijzigen, moet u deze verwijderen en opnieuw maken.

  • De overdrachten en de gegevens vernieuwen. U doet dit door met de rechtermuisknop op een overdracht te klikken en vervolgens op Vernieuwen te klikken. U kunt de gegevens ook vernieuwen door op F5 te drukken.

Clients in een overdracht configureren

Wanneer u de overdracht hebt gemaakt, worden clients aan de overdracht toegevoegd wanneer de installatiekopie wordt geselecteerd in de Windows Deployment Services-client. Clientcomputers kunnen ook aan de overdracht worden toegevoegd met het opdrachtregelprogramma Wdsmcast.exe, dat deel uitmaakt van de Windows AIK. Wanneer een overdracht clients bevat, kunt u de volgende handelingen uitvoeren:

  • Clients weergeven en de voortgang bekijken. U kunt verbonden clients weergeven door het knooppunt Multicast-overdrachten uit te vouwen en op de installatiekopie te klikken. De verbonden clients (inclusief de huidige installatietijd en het voltooide percentage) worden in het rechtervenster weergegeven.

  • Een clientinstallatie stoppen. U kunt de installatie helemaal stoppen door met de rechtermuisknop op een client te klikken en vervolgens op Verbinding verbreken te klikken. Wees voorzichtig met het gebruik van deze optie: de installatie mislukt en de computer kan onbruikbaar worden.

  • De verbinding tussen een client en een multicast-overdracht verbreken. Als u de multicast-overdracht voor een bepaalde client wilt annuleren maar de installatiekopie verder via unicasting wilt overbrengen, klikt u met de rechtermuisknop op de client en klikt u vervolgens op Multicast overslaan.

WDSUTIL gebruiken

Een multicast-overdracht maken voor een installatiekopie

U kunt hiervoor twee typen overdracht gebruiken: AutoCast en ScheduledCast. U moet alle WDSUTIL-opdrachten uitvoeren vanuit opdrachtpromptvenster met Beheerdersbevoegdheden.

  • Een AutoCast-overdracht maken

    Syntaxis: WDSUTIL /New-MulticastTransmission /Image:<naam van installatiekopie> /FriendlyName:<beschrijvende naam> /ImageType:Install /ImageGroup:<naam van installatiekopiegroep> /TransmissionType:AutoCast

  • Een ScheduledCast-overdracht maken

    Syntaxis: WDSUTIL /New-MulticastTransmission /Image:<naam van installatiekopie> /FriendlyName:<beschrijvende naam> /ImageType:Install /ImageGroup:<naam van installatiekopiegroep> /TransmissionType:ScheduledCast [/Time:<jjjj/mm/dd:uu:mm>] [/Clients:<aantal clients>]

Overdrachten configureren

Wanneer u eenmaal een overdracht hebt gemaakt, kunt u deze starten, verwijderen en activeren, en de eigenschappen ervan weergeven.

  • De overdracht starten

    Syntaxis: WDSUTIL /Start-MulticastTransmission /Image:<naam van installatiekopie> /ImageType:Install /ImageGroup:<naam van installatiekopiegroep>

    noteNote
    U kunt de overdracht alleen starten als deze van het type ScheduledCast is, er minimaal één client is en de overdracht nog niet is gestart.

  • De overdracht verwijderen

    Syntaxis: WDSUTIL /Remove-MulticastTransmission /Image:<naam van installatiekopie> /ImageType:Install /ImageGroup:<naam van installatiekopiegroep> /Force

  • De overdracht deactiveren

    Syntaxis: WDSUTIL /Remove-MulticastTransmission /Image:<naam van installatiekopie> /ImageType:Install /ImageGroup:<naam van installatiekopiegroep>

  • De eigenschappen van de overdracht weergeven

    Syntaxis: WDSUTIL /Get-MulticastTransmission /Image:<naam van installatiekopie> /ImageType:Install /ImageGroup:<naam van installatiekopiegroep>

Clients in een overdracht configureren

Wanneer u de overdracht hebt gemaakt, worden clients aan de overdracht toegevoegd wanneer de installatiekopie wordt geselecteerd in de Windows Deployment Services-client. Clientcomputers kunnen ook aan de overdracht worden toegevoegd met het opdrachtregelprogramma Wdsmcast.exe, dat deel uitmaakt van de Windows AIK. Wanneer een overdracht clients bevat, kunt u de volgende handelingen uitvoeren:

  • Clients weergeven en de voortgang bekijken

    Syntaxis: WDSUTIL /Get-MulticastTransmission /Image:<naam van installatiekopie> /ImageType:Install /ImageGroup:<naam van installatiekopiegroep> /show:clients

  • Een clientinstallatie helemaal stoppen

    Syntaxis: WDSUTIL /Disconnect-Client /ClientID:<id> /Force.

    noteNote
    Wees voorzichtig met het gebruik van deze optie: de installatie mislukt en de computer kan onbruikbaar worden.

  • De multicast-overdracht voor een bepaalde client annuleren maar de installatiekopie verder via unicasting overbrengen:

    Syntaxis: WDSUTIL /Disconnect-Client /ClientID:<id>

  • De client-<id> voor elke overdracht weergeven

    Syntaxis: WDSUTIL /Get-MulticastTransmission /Image:<naam van installatiekopie> /ImageType:Install /ImageGroup:<naam van installatiekopiegroep> /show:clients

De functieservice Transportserver gebruiken

Tijdens de installatie kunt u besluiten alleen Transportserver te installeren. Deze optie biedt een subset van de functionaliteit van Windows Deployment Services en omvat alleen de basisnetwerkonderdelen. Met Transportserver kunt u multicast-naamruimten maken voor het overbrengen van gegevens (waaronder installatiekopieën van het besturingssysteem) vanaf een zelfstandige server. Op de zelfstandige server hoeft geen gebruik te worden gemaakt van AD DS, DHCP of DNS. In geavanceerde scenario's kunt u Transportserver als onderdeel van een aangepaste installatieoplossing gebruiken. Zie Transportserver gebruiken voor meer informatie.

Windows Deployment Services verwijderen of de initialisatie ongedaan maken

Als u het onderdeel Windows Deployment Services wilt verwijderen kunt u dit op een van de volgende manieren doen:

  • Klik op Functies verwijderen in Serverbeheer.

  • Typ de volgende opdracht bij de opdrachtprompt: ServerManagerCmd -remove WDS

    noteNote
    Eventuele logboekbestanden voor foutopsporing die door de server zijn gemaakt, blijven behouden nadat u het onderdeel hebt verwijderd.

U kunt de initialisatie van de server ongedaan maken als u de server wilt terugzetten in een niet-geconfigureerde staat maar Windows Deployment Services niet wilt verwijderen. Dit kan handig zijn als u overnieuw wilt beginnen maar bestaande instellingen wilt behouden. Als u bijvoorbeeld de map RemoteInstall wilt verplaatsen (misschien omdat u een nieuwe vaste schijf voor uw server heeft en u deze map daarnaartoe wilde verplaatsen), kunt u de initialisatie van de server ongedaan maken, de map naar de nieuwe locatie kopiëren en vervolgens de server opnieuw initialiseren door het nieuwe pad te gebruiken. U maakt de initialisatie van de server ongedaan door de opdracht WDSUTIL /uninitialize-server uit te voeren in een opdrachtregelvenster met Beheerdersbevoegdheden.

Aanvullende naslaginformatie

Vindt u dit nuttig?
(1500 tekens resterend)
Bedankt voor uw feedback

Community-inhoud

Toevoegen
Weergeven:
© 2014 Microsoft. Alle rechten voorbehouden.