Exporteren (0) Afdrukken
Alles uitvouwen

Basisbeginselen van DNS

Gepubliceerd: juni 2012

Bijgewerkt: februari 2013

Van toepassing op: Office 365, Windows Azure, Windows Intune

noteOpmerking
Dit onderwerp biedt online hulpinhoud die toepasselijk is op vele Microsoft cloud services, inclusief Windows Intune en Office 365.

Domeinen worden beheerd via een wereldwijd systeem van domeinregistrars en databases. Het Domain Name System (DNS) regelt de toewijzing tussen leesbare computerhostnamen en de IP-adressen die door netwerkapparatuur worden gebruikt. Als beheerders de beginselen van DNS en domeinregistrars begrijpen, helpt dit hen bij het beheren van de domeinen in hun Windows Azure AD tenant. Zie Wat is een Windows Azure AD-tenant? voor meer informatie over uw Windows Azure AD tenant.

Daarnaast is het nuttig om enig verstand te hebben van DNS en het verschil tussen domeinregistrars en domeinhostingservices. Wanneer u deze begrippen kent, begrijpt u mogelijk beter hoe u domeinen moet registreren en beheren. U kunt een kort overzicht krijgen door de samenvatting te lezen in Domeinnaamregistratie en DNS-hostingservices.

Wat wilt u doen?

Domeinnamen

Domeinnamen worden gebruikt in URL's en e-mailadressen die aan een of meer IP-adressen zijn gekoppeld. Domeinnamen worden in niveaus opgesteld. Bijvoorbeeld, mail.contoso.com is een domeinnaam met de volgende drie niveaus:

  • .com is het topleveldomein (TLD)

  • contoso is het domein op het tweede niveau (secondleveldomein)

  • mail is het domein op het derde niveau (thirdleveldomein)



    noteOpmerking
    Domeinen op het derde niveau worden soms gebruikt voor webpagina's die een bepaalde functie hebben, zoals blog.contoso.com.

Zie Werken met domeinnamen en DNS-records voor meer informatie.

DNS-recordtypen en -functies begrijpen

DNS-records worden gebruikt om verkeer van en naar uw domein te regelen. Door deze records wordt een domeinnaam aan een specifiek IP-adres gekoppeld. In de volgende tabel worden veelgebruikte DNS-records en hun functies vermeld.

 

Naamserverrecord

Bepaalt welke naamservers de gezaghebbende naamservers voor een specifiek domein zijn. DNS-gegevens kunnen voor een bepaalde tijd op verscheidene naamservers in de cache worden opgeslagen, maar wanneer de cache verloopt nemen niet-gezaghebbende naamservers contact op met de gezaghebbende naamserver voor bijgewerkte informatie over een domein.

Een record (adresrecord)

Koppelt een domeinnaam aan een IP-adres.

CNAME-record (alias of adresbronrecord)

Specificeert dat de domeinnaam een alias of een andere canonieke domeinnaam is. Wanneer een naamserver een domein zoekt en een CNAME-record vindt, vervangt deze de eerste domeinnaam met de CNAME en zoekt vervolgens naar de nieuwe naam.

MX-record (mailexchanger)

Identificeert de server waarnaar e-mail wordt gestuurd. Het bevat ook een prioriteitveld, zodat e-mail in een voorgeschreven volgorde naar verscheidene servers wordt gestuurd.

SPF (Sender Policy Framework)

Een e-mailvalidatiesysteem dat ontworpen is om e-mailadresvervalsing en phishing te helpen voorkomen.

SRV (servicerecord)

Geeft informatie over de beschikbare services. SRV-records worden door sommige Microsoft-cloudservices zoals Lync Online en Exchange Online gebruikt om de informatiestroom tussen de services te coördineren.

TTL (time-to-live)

De tijdsduur dat een DNS-record door een naamserver of andere servers wordt behouden of in cache wordt opgeslagen, voordat de server de record opnieuw opzoekt bij een gezaghebbende naamserver. Met deze instelling kunt u het aantal query's dat aan een bepaalde naamserver wordt gesteld bepalen.

Vindt u dit nuttig?
(1500 tekens resterend)
Bedankt voor uw feedback

Community-inhoud

Toevoegen
Weergeven:
© 2014 Microsoft