TechNet
Exporteren (0) Afdrukken
Alles uitvouwen

Het ingebouwde administratoraccount in- of uitschakelen

Gepubliceerd: februari 2012

Bijgewerkt: mei 2012

Van toepassing op: Windows 8, Windows Server 2008 R2, Windows Server 2012

Met het ingebouwd beheerdersaccount kunt u programma's en apps uitvoeren als een beheerder. Dit account wordt gebruikt wanneer u zich bij het systeem aanmeldt in de controlemodus of wanneer u scripts toevoegt aan de configuratiefase auditUser.

Standaard wordt het ingebouwd beheerdersaccount uitgeschakeld wanneer u de controlemodus verlaat.

noteOpmerking
Voor de installatie van upgrades blijft het ingebouwd beheerdersaccount ingeschakeld wanneer er geen lokale beheerder op de computer actief is en wanneer de computer geen deel uitmaakt van een domein.

U kunt het ingebouwde administratoraccount inschakelen tijdens installaties zonder toezicht door voor de instelling AutoLogon in het onderdeel Microsoft-Windows-Shell-Setup de waarde Administrator op te geven. Als u dit doet, wordt het ingebouwde administratoraccount ingeschakeld, zelfs als er geen wachtwoord is opgegeven bij de instelling AdministratorPassword.

U kunt een antwoordbestand maken met Windows(R) SIM (System Image Manager).

In het volgende voorbeeldantwoordbestand kunt u zien hoe u het administratoraccount inschakelt, een Administrator-wachtwoord opgeeft en automatisch bij het systeem wordt aangemeld.

noteOpmerking
Voor aanmelding in controlemodus is zowel het onderdeel Microsoft-Windows-Shell-Setup\Autologon als het onderdeel Microsoft-Windows-Shell-Setup\UserAccounts\AdministratorPassword nodig. De configuratiefase auditSystem moet beide instellingen bevatten.

In de volgende XML-uitvoer ziet u hoe de juiste waarden moeten worden ingesteld.

   <component name="Microsoft-Windows-Shell-Setup" processorArchitecture="x86" publicKeyToken="31bf3856ad364e35" language="neutral" versionScope="nonSxS" xmlns:wcm="http://schemas.microsoft.com/WMIConfig/2002/State" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
      <AutoLogon>
         <Password>
            <Value>SecurePasswd123</Value> 
            <PlainText>true</PlainText> 
         </Password>
         <Username>Administrator</Username> 
         <Enabled>true</Enabled> 
         <LogonCount>5</LogonCount> 
      </AutoLogon>
      <UserAccounts>
         <AdministratorPassword>
            <Value>SecurePasswd123</Value> 
            <PlainText>true</PlainText> 
         </AdministratorPassword>
      </UserAccounts>
   </component>

Om te voorkomen dat een wachtwoord voor het ingebouwd beheerdersaccount moet worden ingevoerd nadat u OOBE hebt voltooid, stelt u Microsoft-Windows-Shell-Setup\UserAccounts\AdministratorPassword in de configuratiefase oobeSystem in.

In de volgende XML-uitvoer ziet u hoe de juiste waarden moeten worden ingesteld.

            <UserAccounts>
                <AdministratorPassword>
                    <Value>SecurePasswd123</Value>
                    <PlainText>true</PlainText>
                </AdministratorPassword>
            </UserAccounts>

Voor Windows Server® 2012 moet het wachtwoord voor het ingebouwde administratoraccount bij de eerste aanmelding worden gewijzigd. Daarmee wordt voorkomen dat het ingebouwde administratoraccount standaard een leeg wachtwoord heeft.

Als de computer OOBE (Out-Of-Box Experience) nog niet heeft doorlopen, kunt u toegang krijgen tot de ingebouwde administratoraccount door uzelf opnieuw toegang te verschaffen tot de controlemodus. Zie Opstarten naar de controlemodus of Windows Welkom.

Wijzig de eigenschappen van het administratoraccount met behulp van de MMC (Microsoft Management Console) Lokale gebruikers en groepen.

  1. Open de MMC en selecteer Lokale gebruikers en groepen.

  2. Klik met de rechtermuisknop op het account Administrator en selecteer Eigenschappen.

    Het venster voor Administrator-eigenschappen wordt weergegeven.

  3. Schakel op het tabblad Algemeen het selectievakje Account is uitgeschakeld in.

  4. Sluit MMC.

De Administrator heeft nu toegang.

  1. De opdracht sysprep /generalize uitvoeren

    Wanneer u de opdracht sysprep /generalize uitvoert, is het ingebouwde administratoraccount uitgeschakeld als de computer de volgende keer wordt opgestart.

  2. De opdracht net user gebruiken

    Voer de volgende opdracht uit om het administratoraccount uit te schakelen:

    net user administrator /active:no
    

    U kunt deze opdracht uitvoeren nadat de computer is geconfigureerd en voordat de computer aan een klant wordt geleverd.

OEM's (Original equipment manufacturers) en systeembouwers moeten het ingebouwde administratoraccount uitschakelen voordat ze een computer aan een klant leveren. Gebruik hiervoor een van de volgende methoden:

  • Wanneer u de opdracht sysprep /generalize op Windows Server 2012 en Windows Server 2008 R2 uitvoert, wordt het wachtwoord van het ingebouwd beheerdersaccount door het hulpprogramma Sysprep gereset. Het hulpprogramma Sysprep wist alleen het wachtwoord van het ingebouwd beheerdersaccount voor serveredities, niet voor clientedities. De volgende keer dat de computer wordt gestart, verschijnt een venster waarin om het wachtwoord wordt gevraagd.

    noteOpmerking
    In Windows Server 2012, Windows Server 2008 R2 en Windows Server® 2008 vereist het standaardwachtwoordbeleid een sterk wachtwoord voor alle gebruikersaccounts. Als u een zwak wachtwoord wilt configureren, kunt u een antwoordbestand gebruiken dat de instelling Microsoft-Windows-Shell-Setup\UserAccounts\AdministratorPassword bevat. Het is niet mogelijk om een zwak wachtwoord te configureren, niet handmatig noch door een script als de opdracht net user te gebruiken.

Zie ook

Weergeven:
© 2016 Microsoft