Table of contents
TOC
De inhoudsopgave samenvouwen
De inhoudsopgave uitvouwen

Een regel of monitor in- of uitschakelen

Matt Goedtel|Laatst bijgewerkt: 5-11-2016
|
1 Inzender

Van toepassing op: System Center 2016 - Operations Manager

Als in System Center 2016 - Operations Manager de standaardinstellingen van een management pack een monitor of regel bevat die in uw omgeving niet nodig is, kunt u deze uitschakelen door ze te onderdrukken. Bovendien worden sommige management packs geleverd met een aantal uitgeschakelde regels of monitors. U moet de handleiding bij de management pack lezen om vast te stellen welke werkstromen er standaard zijn uitgeschakeld, en of u een of meer van deze moet inschakelen om aan uw bewakingsbehoeften te voldoen. Zo bevatten de management packs voor netwerkbewaking regels en monitors die leverancierspecifiek zijn. Veel leverancierspecifieke regels en monitors in het netwerk-management pack zijn uitgeschakeld om te voorkomen dat ze de prestaties negatief beïnvloeden. U moet bepalen welke apparaten er in uw omgeving worden gebruikt, en de mogelijkheden voor onderdrukking gebruiken om de regels en monitors in te schakelen die specifiek zijn voor uw apparaten.

Een monitor of regel in- of uitschakelen met behulp van onderdrukkingen

  1. Meld u bij de computer aan met een account dat lid is van de rol Operations Manager Advanced Operator.

  2. Klik op Ontwerpen in de Operations-console.

  3. In de werkruimte Ontwerpen klikt u op Monitors (of op Regels als u een regel wilt uitschakelen).

  4. In de sectie Monitors of Regels klikt u op de monitor of regel die u wilt uitschakelen.

  5. Op de werkbalk van de Operations-console klikt u op Onderdrukkingen en wijst u vervolgens naar De monitor onderdrukken (of De regel onderdrukken). U kunt ervoor kiezen om deze monitor of regel te onderdrukken voor objecten van een specifiek type of voor alle objecten in een groep. Nadat u hebt gekozen welke groep of welk objecttype u wilt onderdrukken, wordt het dialoogvenster Onderdrukkingseigenschappen geopend, zodat u de standaardinstellingen kunt bekijken die deel uitmaken van deze regel of monitor. Voor meer informatie over het toepassen van een onderdrukking raadpleegt u Klassen en groepen gebruiken voor onderdrukkingen.

  6. In het dialoogvenster Onderdrukkingseigenschappen schakelt u het selectievakje Onderdrukken in dat overeenkomt met de parameter Ingeschakeld.

    Opmerking

    Als u Uitschakelen selecteert in plaats van Onderdrukken, wordt het dialoogvenster Onderdrukkingseigenschappen geopend met het selectievakje Onderdrukken ingeschakeld en de waarde voor Ingeschakeld ingesteld op False (onwaar).

  7. In de kolom Onderdrukkingsinstelling klikt u op True (waar) waarmee de regel of monitor wordt ingeschakeld of op False (onwaar) waarmee de regel of monitor wordt uitgeschakeld.

  8. Klik in de lijst Het doel-management pack selecteren op het juiste management pack waarin de onderdrukking moet worden opgeslagen of maak een nieuw niet-verzegeld management pack door op Nieuw te klikken. Voor meer informatie over het selecteren van een doel-management pack raadpleegt u Een management pack voor onderdrukkingen maken.

  9. Wanneer u uw wijzigingen hebt voltooid, klikt u op OK.

Volgende stappen

© 2017 Microsoft