Table of contents
TOC
De inhoudsopgave samenvouwen
De inhoudsopgave uitvouwen

Een regel of monitor overschrijven

Matt Goedtel|Laatst bijgewerkt: 30-11-2016
|
1 Inzender

Van toepassing op: System Center 2016 - Operations Manager

Met onderdrukkingen kunt u de configuratie wijzigen van bewakingsinstellingen van System Center 2016 - Operations Manager voor monitors, kenmerken, objectdetecties en regels. Wanneer u een onderdrukking maakt, kunt u deze toepassen op één beheerd object of op een groep beheerde objecten. U moet de gebruikersrechten Geavanceerde operator hebben om onderdrukkingen te kunnen maken en bewerken.

Het gebruik van onderdrukkingen is essentieel voor het beheren van de hoeveelheid gegevens die worden verzameld door Operations Manager. Wanneer u een monitor, regel of kenmerk maakt, moet u deze richten op een objecttype, maar vaak is het bereik van de beschikbare objecttypen breed. U kunt in dit geval groepen en onderdrukkingen samen gebruiken om de monitor, de regel, het kenmerk of de objectdetectie verder toe te spitsen. U kunt ook bestaande monitors, regels, kenmerken of objectdetecties die afkomstig zijn uit management packs, onderdrukken.

Onderdrukkingen die voor een klasse gelden, worden eerst toegepast, gevolgd door onderdrukkingen die gelden voor een groep, en ten slotte onderdrukkingen die gelden voor een specifiek object. Voor meer informatie, zie Klassen en groepen voor onderdrukkingen gebruiken.

In de volgende procedure wordt een monitor onderdrukt, maar u kunt deze stappen ook gebruiken voor de onderdrukking van een regel, kenmerk of objectdetectie. U moet de gebruikersrechten Geavanceerde operator hebben om een onderdrukking te kunnen maken.

Een monitor onderdrukken

  1. Meld u bij de computer aan met een account dat lid is van de rol Operations Manager Advanced Operator.

  2. Klik op Ontwerpen in de Operations-console.

  3. Vouw in de werkruimte Ontwerpen de optie Management pack-objecten uit en klik vervolgens op Monitors.

  4. In het deelvenster Monitors vouwt u een objecttype volledig uit en klikt u op een monitor.

  5. Op de werkbalk van de Operations-console klikt u op Onderdrukkingen en wijst u vervolgens naar De monitor onderdrukken. U kunt ervoor kiezen om deze monitor te onderdrukken voor objecten van een specifiek type of voor alle objecten in een groep. Nadat u hebt gekozen welke groep of welk objecttype u wilt onderdrukken, wordt het dialoogvenster Onderdrukkingseigenschappen geopend, zodat u de standaardinstellingen kunt bekijken die deel uitmaken van deze monitor. U kunt er vervolgens voor kiezen om elke afzonderlijke instelling die deel uitmaakt van de monitor te onderdrukken.

    Opmerking

    Als de knop Onderdrukkingen niet beschikbaar is, moet u controleren of u in het deelvenster Monitors een monitor hebt geselecteerd en niet een containerobject.

  6. Klik om het selectievakje in te schakelen in de kolom Onderdrukken naast elke parameter die u wilt onderdrukken. De Onderdrukkingswaarde kan nu worden bewerkt. Wijzig de waarde bij Onderdrukkingswaarde in de waarde die u door de parameter wilt laten gebruiken.

  7. Selecteer een management pack in de lijst Selecteer het doel-management pack of maak een nieuw niet-verzegeld management pack door op Nieuw te klikken. Voor meer informatie over het selecteren van een doel-management pack raadpleegt u Een management pack voor onderdrukkingen maken.

  8. Wanneer u uw wijzigingen hebt voltooid, klikt u op OK.

Volgende stappen

© 2017 Microsoft